Arlekyn Hulla: een oosters huwelijksritueel in een westerse klucht

Door Ton Harmsen

De rijke cultuur van het oosten inspireerde tal van toneelschrijvers in de zeventiende en de achttiende eeuw. Sultans en imams waren bekende verschijningen op het toneel. Aan de universiteiten werd arabistiek beoefend, en ook bij het grote publiek bestond veel belangstelling voor de landen van de tulpen en de tulbanden. In 1657 verscheen een vertaling van de Koran door Jan Hendrik Glazemaker, naar de Franse vertaling van André du Ryer. Deze tekst is verschillende malen herdrukt. Kennis van de Koran was dus voorhanden, maar niemand  nam het een kluchtschrijver kwalijk als hij hier en daar een loopje nam met de mohammedaanse leer. In het spel Arlekyn Hulla is de leer van de sharia ondergeschikt gemaakt aan de vaart van de komische intrige. In de Koran staat het volgende over echtscheiding gevolgd door een nieuw huwelijk tussen dezelfde man en vrouw:

.        Degeen, die sijn gemalin driemaal verstoten heeft, mach haar niet weerneemen, tot dat zy aan een ander gehuwt heeft geweest, van de welk zy ook verstoten is; dan mogen zy weer te samen keren, en sonder sonden weer trouwen, zo zy achten dat zy in de palen, van God voorgeschreven, die hy aan de wysen en voorsichtigen openbaart, konnen blyven. (Mahomets Alkoran, naar de vertaling van J.H. Glazemaker, Leiden 1721, p. 27)

Dit klinkt redelijk: een man kan zich bedenken na een echtscheiding, maar geen drie keer. Maar het vraagt natuurlijk om moeilijkheden. Als je  je vrouw drie keer uit huis hebt gezet, en je wilt haar alwéér terug, dan moet zij eerst met een ander getrouwd zijn. Dat brengt je ertoe te denken aan een nephuwelijk, met een man die haar met voorbedachten rade weer verstoot: je zoekt iemand die graag een fooi wil verdienen. Een vrijgezel hoeft het niet te zijn, want de Koran staat polygamie toe. Een dergelijke echtgenoot voor de schijn wordt een ‘hulla’ genoemd – het woord komt in de Koran niet voor en het verschijnsel overschrijdt voor een gelovige moslim zeker de ‘palen, van God voorgeschreven’, maar in de moslimwereld is het een bekend begrip. Deze paragraaf uit de sharia geeft Jacques Japin (in letterlijke navolging van zijn Franse voorbeeld, Soulas d’Allainval) als volgt weer:

.        Wanneer een Mahometaan zyn Vrouw heeft verstooten, kan hy dezelve niet weder aannemen ten zy een ander Man haar heeft getrouwd, en vervolgens weder verstoot. Deze twede Echtgenoot word een Hulla genaamt. (Jacques Japin, Arlekyn Hulla, 1747, p. 7)

De hulla treedt in deze klucht dus al bij de eerste echtscheiding op. Dat houdt de vaart erin, en ook op allerlei andere manieren heeft D’Allainval hiervoor gezorgd: in het eerste toneel toont een hoofdpersonage, Zaïde, de ‘bracelet’ die zij van haar overleden moeder heeft gekregen. Het spreekt vanzelf dat in de laatste scène iemand de armband herkent, waarmee op het hoogtepunt van de verwikkelingen een gelukkige ontknoping inzet. In De lastigheid der rykdommen, het andere spel dat Japin van D’Allainval vertaalde, was de structuur van het spel zwak omdat daar plotselinge, onverwachte en onbegrijpelijke wispelturigheden van de personages de ontwikkeling in de intrige stuurden. In Arlekyn Hulla is de rol van het toeval even groot, maar hier geeft het eerste toneel juist zulke duidelijke vooruitwijzingen dat aan het eind nauwelijks verrassingen overblijven.

Nee, de opbouw van de intrige is niet het sterke punt van deze vrolijke spelen. Toch is het vermakelijke literatuur door de cynische humor, de onverwachte conclusies en de ironische interventies. De reacties op het gebeuren van Fatima (Zaïdes vertrouwde) en van de magistraten (een imam, een moefti en een kadi) maken het spel vers voor vers een belevenis.

Vers voor vers. Over die versificaties is ook iets bijzonders te melden: de gemiddelde lengte van een vers is maar liefst twintig woorden. Dat wil zeggen: de verzen rijmen, maar aan het tellen van lettergrepen doet Japin niet, hij wacht rustig tot hij een rijmwoord heeft en dan begint een nieuw vers. Dat levert monsterverzen op:

.        Goed! gy zyt al te keurig voor een Turk. Zo moet gy Oostersche Mannen vaaren, en u zelf gestadig kwellen;
.        Gy verstoot uwe Vrouwen en dan moet gy naderhand schoone en goede Hullaas hebben die u weder in uw ampt herstellen. (Arlekyn Hulla, vs. 89-90)

Metriek is elastisch, maar hier is de rek er wel uit. De stap naar toneelstukken in proza (die in de tweede helft van de achttiende eeuw genomen wordt) is nog maar klein.

Zaïde is in de liefde wel een pechvogel. Zij is door slavenhandelaars naar Marokko gebracht. Daar is zij ‘uitverkoren’ de favoriete sultane van de pasja van Marokko te zijn. Als zij uit het venster van het serail kijkt ziet zij een grappig geklede Italiaan, niet bijzonder elegant maar lenig en welbespraakt, op wie zij op slag verliefd wordt; de pasja betrapt hen, werpt de jongeman uit het raam in zee en verstoot haar. Zij wordt verkocht aan Achmet die haar eveneens verstoot, om haar koelheid – ze kan niet anders dan koel zijn, want ze is verliefd op haar in zee gesmeten minnaar. Hij bedenkt zich:

.        Wel nu, Zaïde, ik ben ’er eindelyk toe gekomen. Oordeel in welk een doodelyk leet uw koelheid my heeft gestort.
.        Ik kan niet leeven zonder u te bezitten, en de wet verbied ons dat gy my weêrgegeven word,
.        Ten zy ik een Hulla verkies die, voor een enkle nacht, met u trouwd om u ’s morgens weêr te verstooten. (Arlekyn Hulla, vs. 71-73)

Die hulla krijgt hij aangeboden door de imam:

.        Ik geloof dat ik uw slach heb gevonden; wy hebben in onze Moskee een vreemdeling die, voor eenigen tyd, by ons zyn toevlucht heeft gezogt, zyn naam is Arlekyn.
.        Ik zal alles met hem kunnen doen wat ik wil. Laat den toestel tot dit huwelyk slechts vervaardigen; ik hoop dat den Bruidegom wel haast zal gevonden zyn. (Arlekyn Hulla, vs. 107-108)

Deze Arlekyn is natuurlijk de in Marokko uit het raam gegooide minnaar. De huwelijksnacht speelt zich af in totale duisternis, zodat ze elkaar aanvankelijk niet herkennen. Arlekyn is van plan tot de ochtend te slapen, en daarmee het geld te verwerven om naar Marokko te reizen waar hij denkt dat zijn geliefde zich bevindt. Maar de kordate Zaïde is vastbesloten hem uit te horen. Zij spreken over hun liefdesleven, dat zich in beider gevallen tot één ongelukkig afgelopen uurtje beperkt. Er is maar weinig doorvragen voor nodig om de wederzijdse herkenning te bewerkstelligen:

.                        Arlekyn.
Van wat Land was uw Minnaar, en hoe was hy gekleed?
.                        Zaïde.
.        Hy was een Italiaan, hy droeg een kleed van vier of vyfderleî kleuren, een houte Sabel op zyn zy’, en een wit hoedje op zyn hoofd.
.                        Arlekyn.
.        Zy spreekt waarachtig van my.
.                        Zaïde.
.                Wat kleederen droeg uw Minnaresse?
.                        Arlekyn.
.                        Zy droeg dien tyd een blaauwe Cymaar met goude bloemen, zy was vercierd met allerleî fraaije dingen,
.        En gekapt… als de Sultane Favorite van dien hond van een Bacha die my het venster uit deed springen.
.                        Zaïde.
.        ô Hemel! wat hoor ik? Myn waarde Vreemdeling! zyt gy ’t?
.                        Arlekyn.
.                Ach! myn schoone Sultane, wat geluk komt my over? Zyt gy het die ik hier trouw?
.                        Zaïde.
.        Licht, schielyk, breng ons licht.
.                        Arlekyn.
.                 Neen, ’t is niet nodig; uwe oogen verlichten my genoeg. (Arlekyn Hulla, vs. 256-260)

De hulla verbreekt dus zijn belofte: zijn belofte in Marokko dat hij met Zaïde zal trouwen heeft voor hem meer waarde dan zijn belofte dat hij de aanstaande van Achmet na een nacht zal verstoten. De imam haalt er dan een kadi bij, een rechtsgeleerde, die terstond besluit dat Arlekyn gegeseld moet worden totdat hij Zaïde verstoot. Zij doet een vergeefse poging de kadi om te kopen met haar fraaie bracelet – maar als zij die onder zijn neus houdt herkent hij het sieraad als dat van zijn overleden vrouw, en daarmee Zaïde als zijn dochter. Dat zet de exitus felix in gang:

.                        De Cadi.
.        Gy zyt het die my door een’ Zeerover wierd ontschaakt. Myn Heer Achmet, neem deel in myn vreugd; zie hier die waarde Dochter waar van ik u zo dikwils heb verhaald. Myn geluk is bovenmaaten…
.                        Arlekyn.
.        Myn Heer Achmet, ik geloof dat gy en myn Heer den Himan my nu het Slagveld wel kunt overlaaten.
.                        Zaïde.
.        Myn waarde Vader! durf ik hoopen…
.                        De Cadi.
.                Ja, aanvaard dezen Echtgenoot, ik ben verheugd dat ik deze gelukkige ontmoeting uitmuntende kan maaken, door u dien geenen toe te staan die uw heil vergroot.
.                        Achmet.
.        Maar, myn Heer…
.                        Arlekyn.
.                Zwyg jy maar stil; ik zal u myn’ Hulla maaken wanneer ik haar verstoot. (Arlekyn Hulla, vs. 289-292)

Deze hilarische brutaliteit van Arlekyn is kenmerkend voor zijn rol. Het spel eindigt met dans en gezang. D’Allainval duidt dit aan als ‘divertissement’ en ‘vaudeville’; dergelijke geijkte termen had het Nederlands kennelijk niet paraat, want bij Japin heet het ‘ballet’ en ‘zang’. Ook het nationalisme dat de Fransen goed afgaat kan hij niet overnemen: elk couplet van de vaudeville eindigt met ‘en France’; in het slotlied van Japin (die de vijf coupletten door vijf verschillende personages laat zingen) eindigt elk couplet met ‘in Europe’:

.        De Volkren van een vreemd gebied,
.                        Gelyk men ziet,
.                        Zo keurig niet,
.        Doen ons geen gunstig vonnis hoopen.
.        Waar vind men geesten die, vol moeds
.        Den prys vergunnen aan iets goeds?
.                ’t Is in Europe. (Arlekyn Hulla, vs. 329-335)

De klucht mag met zijn voorspelbaarheid en zijn eurocentrisme zijn zwakheden hebben, hij heeft met zijn droogkomische gevatheid ook de kwaliteiten die nodig zijn voor een goede uitvoering. Vanavond wordt het spel in de Centrale Bibliotheek van Amsterdam opgevoerd door Theater Kwast met medewerking van de auteur-acteur Arthur Japin.

Bij Ceneton zijn alle drie de spelen van Jacques Japin te lezen: De lastigheid der rykdommen (Amsterdam 1739), De woekeraar edelman (Amsterdam 1740) en Arlekyn Hulla (Amsterdam 1747)

Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde, websites met de tags , , , . Bookmark de permalink.