Wat ‘like’ en ‘eh’ gemeen hebben

Door Lucas Seuren

Voor ik naar Los Angeles vertrok voor mijn promotieonderzoek maakte een kennis vaak grappen over het taalgebruik van Amerikanen, met name de hoge frequentie waarmee jongeren in Californië like zeggen. Het gebruik van dat woord is niet voorbehouden aan de jongeren aldaar – ik merkte tijdens een verblijf in York dat het ook in Brits-Engels voorkomt – maar de frequentie zou in steden als Los Angeles veel hoger liggen. Na vijf maanden kan ik beamen dat dit zeker klopt – niet dat ik daar vijf maanden voor nodig had. Maar waar mensen vaak denken dat like niets meer is dan een betekenisloos stopwoordje, begon me ook op te vallen dat het vrij nuttige functies heeft.

Twee van de voornaamste functies van like zijn breed bekend. Ten eerste wordt het gebruikt om aan te geven dat de spreker een inschatting maakt. Ten tweede wordt het gebruikt om een direct citaat in te leiden. Beide functies worden in het Nederlands ten dele vervuld door van. Zinnetjes zoals de volgende zullen de meeste mensen – ik durf zelfs te zeggen niemand – vreemd voorkomen:

  • Hij heeft er iets van vijf dagen aan gewerkt.
  • Hij zei van joh ik heb er vijf dagen aan gewerkt.

Die citerende functie van van is tien jaar terug kort gedocumenteerd door Harrie Mazeland. Dat voor zowel inschattingen als citaten het woordje van wordt gebruikt is geen toeval: volgens Mazeland wordt van gebruikt om aan te geven dat het een weergave is van het soort uiting dat gedaan wordt. Met andere woorden, het is geen letterlijke weergave, maar een manier om het citaat te typeren. In zekere zin maakt de spreker een inschatting van wat er gezegd was.

Maar like wordt op veel meer plekken gebruikt, soms zelfs elke paar woorden, en sprekers doen dat niet om aan te geven dat ze continu inschattingen aan het maken zijn. Wat doet like dan wel in die situaties? Dat is een hele goede vraag waar ik helaas geen sluitend antwoord op kan geven. Het nadeel met woordjes die lijken op stopwoordjes is dat ze vrijwel niet goed te bestuderen zijn omdat hun functie zo enorm breed is – het schijnt dat menig onderzoeker gek is geworden van het kijken naar you know.

Waarom dan dit stukje? Nou, het viel me op dat als mensen vaak like zeggen ze nooit of vrijwel nooit eh zeggen. Maar zodra ze in een situatie geen like meer gebruiken, ze plots vaker eh zeggen. Dit is vooral goed te zien bij jongeren, en mijn observaties zijn dan ook gebaseerd op het taalgebruik van collega promovendi. In alledaagse sociale situaties, zoals bij het eten, gebruiken de meesten continu like, soms elke drie tot vier woorden. Maar zodra ze een lezing geven stoppen ze daarmee. De frequentie van eh is omgekeerd evenredig met die van like: in alledaagse situaties hoor ik het vrijwel nooit, maar tijdens lezingen constant.

De reden dat mensen like niet gebruiken in lezingen is, denk ik, dat het niet past in de setting. Like heeft iets informeels en bewust of onbewust probeer je informeel taalgebruik te voorkomen in wat formelere settings. Dit leidt tot een probleem met de taalproductie: wat de functie van like ook moge zijn, een van de effecten die het heeft is dat het de productie afremt. In zekere zin geeft het de spreker meer tijd om na te denken over wat hij/zij zegt. Als de spreker geen like meer kan of wil zeggen, maar op hetzelfde tempo blijft spreken, ligt het tempo te hoog. De manier om rust te brengen in de productie is door eh te zeggen.

Deze analyse is natuurlijk sterk speculatief,  maar het is niet zo gek als het klinkt. Zoals gezegd gebruiken sprekers like om een inschatting te maken. Eh daarentegen gebruiken we vaak in situaties waarin we niet op een woord kunnen komen. Het zou best kunnen dat mensen like zijn gaan gebruiken om aan te duiden dat ze niet het juiste woord hebben, maar dat het woord dat ze gebruiken wel in de juiste categorie valt. Met andere woorden, wat Mazeland ‘typifying’ noemt is niet alleen van toepassing op citaten, maar ook op situaties waar de spreker niet op het juiste woord kan komen. De volgende stap is simpelweg dat op andere plekken waar sprekers eh zouden gebruiken, ze steeds vaker like gaan zeggen.

Mijn conclusie is sterk anekdotisch, en de vraag is of de hypothese te testen is. Je zou moeten kijken naar de opkomst van like, of het specifieke functies is gaan vervullen, en of die functies eerder door eh werden vervuld. De corpora die we hebben zijn daarvoor waarschijnlijk niet geschikt. Een alternatief is taalgebruik van jongeren vergelijken met dat van ouderen, of jongeren met andere Engelse dialecten, en kijken of jongeren like gebruiken voor functies waar ouderen eh voor gebruiken. Misschien hebben we “geluk” en gaat van zich de komende decennia op dezelfde manier ontwikkelen. Het Nederlands zou er misschien niet rijker van worden, maar het zou ongetwijfeld een interessant inzicht bieden in taalproductie.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

6 reacties op Wat ‘like’ en ‘eh’ gemeen hebben

  1. Interessante hypothese! Om onze discussie over methodologie voort te zetten, je schrijft: “de vraag is of de hypothese te testen is”. Er zijn natuurlijk heel eenvoudige manieren om het te testen. Je zou dezelfde proefpersonen in gesprekken kunnen verwikkelen én ze lezingen kunnen laten geven. Dat zijn laboratoriumcondities, en ik vermoed dat jij het dan ‘niet echt’ vindt. Maar mij lijkt niet uitgesloten dat je dan toch een antwoord op je vraag vindt.

    • Lucas Seuren schreef:

      Ik heb niks tegen experimenten an sich. Hoe je het voorstelt kun je gerust mee testen of like verdwijnt en eh verschijnt. Maar ik denk niet dat je daarmee verklaart waarom dat gebeurt. Het kan net zo goed zijn dat de vele functies die like vervult niks met eh te maken hebben, maar dat door de hoge productie van like de taalproductie dusdanig wordt afgeremd dat eh niet meer nodig is.

  2. Joke van 't Verlaat schreef:

    Je zou het gebruik van ‘like’ ook kunnen vergelijken met dat van ‘zeg maar’.

    • Lucas Seuren schreef:

      Dat zou ook nog kunnen ja. Mogelijk dat ‘like’ een hoop dingen doet waar we in het NLs meerdere woorden/phrases voor hebben. (al heeft het Engels ook ‘so to speak/say’)

      Ik heb alleen nooit structureel gelet op de frequentie van ‘zeg maar’. Volgens mij komt het vaak aan het eind van een beurt, maar dat zegt nog niks. Tijd voor iemand om een corpusje te scannen.

  3. erik harteveld schreef:

    ‘van’ heeft in het Drents net als in het Nederlands de functie van citaataankondiging, maar dan nog summierder, het gaat bijvoorbeeld van::
    Ik van ’t is schier weer, maor hij drekt te zeuren van ja, maor d’r komt regen. Dus ik weer van maor daornao weer zunneschien. Ja, wat ’n verstaand!

Laat een reactie achter