Van zulcke schrijvers vlucht d’onvruchtbren overvloed

Door Marc van Oostendorp

Misschien moet een nieuwe literatuurgeschiedenis van de Nederlanden niet door letterkundigen geschreven worden, maar door historici. Die conclusie kun je trekken na het sprankelende en razend interessante De weg naar het binnenland – het laatste deel van de ‘Geschiedenis van de Nederlandse literatuur’, dat geschreven werd door de Leuvense hoogleraar Tom Verschaffel. Dat boek gaat over bij voorbaat misschien wel het meest wanhopige onderwerp ooit – de Nederlandstalige letterkunde in de Oostenrijkse Nederlanden in de achttiende eeuw.

Er zijn nu eenmaal geen echt interessante literaire schrijvers geweest die toen en daar in het Nederlands publiceerden. Romans werden helemaal niet geschreven, onder ‘schone letteren’ werd vooral geschiedschrijving verstaan, en het levendigste letterkundige leven vond plaats in kringen van de rederijkers, die hun werk in doorsnee echter niet uitgaven.

Aanstellerige, modieuze gril

Verschaffen lost het op door niet heel veel op individuele schrijvers en hun werken in te gaan, maar een meeslepend en heel leerzaam beeld te geven van de de boeiende, woelige periode die de achttiende eeuw in het Zuiden ook was. Hij laat zien hoe je door het prisma van het literaire leven een mooi beeld kunt krijgen van het intellectuele landschap.

Rien Rooker schreef vorige week ook op Neerlandistiek over dit boek, en zelfs als we een heleboel van zijn kritische punten aannemen blijft staan dat Verschaffelts boek een interessant inkijkje geeft in de achttiende eeuw in het Zuiden. Ik weet niet of ik een representatieve Nederlander ben, maar mij is maar zelden iets verteld over de achttiende eeuw in wat nu België is. De periode was bijvoorbeeld interessant om de manier waarop ze voorbereidde op de taalstrijd in de negentiende eeuw. Van zo’n strijd was in de achttiende eeuw nog niet echt sprake: het Frans had zo’n vanzelfsprekende plaats in het geleerde leven dat het Nederlands niet actief onderdrukt hoefde te worden. En omgekeerd maakten Nederlandstalige auteurs soms de aanstellerige modieuze gril die hun landgenoten alles wat ook maar naar Frans zweemde al deed omarmen.

Politisering

Fascinerend daarbij is de tweedeling die er toen ook al was tussen Noord en Zuid. De Vlamingen keken nauwelijks naar Nederland. Voor zover ze werkten aan standaardisering, was het streven bijvoorbeeld nauwelijks om een gezamelijke standaard te hebben. Contemporaine literaire auteurs uit Nederland werden ook niet echt gelezen; hooguit keek men af en toe nog naar Vondel, Cats en een enkele andere zeventiende-eeuwse auteur. Omgekeerd was het gebrek aan interesse uit Nederland voor het Zuiden overigens nog groter.

Behalve de geschiedenis van de taalpolitiek beschrijft Verschaffel onder andere ook de ontwikkeling van de literaire smaak, de strijd tussen Verlichtingsideeën en het traditionele katholicisme, en de ‘politisering’ van de maatschappij aan het eind van de eeuw, wanneer er ook in België een publieke ruimte ontstaat en steeds meer mensen zich met de politiek beginnen te bemoeien.

Kernachtigheid

Hij doet dat in een prettige, heldere stijl. Soms is hij ook droog humoristisch. Hij vertelt bijvoorbeeld hoe dé gids van het Franse klassicisme, de Art poétique van Nicolas Boileau, tweemaal vertaald werd, eerst door J.A. Labare en daarna door J.F. Cammaert. Boileau drong er bij de schrijver onder andere op aan niet te lang van stof te zijn:

Fuyez de ces auteurs l’abondance stérile,
Et ne vous chargez point d’un détail inutile.
Tout ce qu’on dit de trop est fade et rebutant;
L’esprit rassasié le rejette à l’instant.
Qui ne sait se borner ne sut jamais écrire.

Labare verbeterde Boileau door hem in te korten:

Van zulcke schrijvers vlucht d’onvruchtbren overvloed;
Al wat te veele word geseyt is nimmer goedt.
Wie zigh niet teug’len kan zal noyt wel konnen schrijven.

Maar de tekst “verliest” bij Cammaert, schrijft Verschaffel, “alle kernachtigheid”:

Vlucht d’overvloedigheyt der Schryvers, die belaên
Is met onvruchtbaerheyt: en wilt u niet beswaeren
Met veel omstandigheên, onnoodig, te verklaeren.
Al ’t geen men seyt te veel is smaeck’loos, baert verdriet.
Eenen versaeden Geest men staeg versmaeden siet,
D’onnutte reên. Die sig in die niet kan bepaelen,
Kan geen goed Schryver zyn.

Gezamelijk deel

De opzet van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur was om Nederland en Vlaanderen in ieder deel samen te behandelen. Voor de achttiende eeuw is daar vanaf geweken; er zijn dus twee delen over verschenen. Dat blijkt een heel gelukkige beslissing zijn geweest. In die eeuw vond uiteindelijk alle serieuze literaire productie in het Nederlands in het Noorden plaats, en Vlaanderen zou dus in een gezamelijk deel nauwelijks uit de verf zijn gekomen.

En dan hadden we dit boeiende deel moeten missen.

Tom Verschaffel. De weg naar het binnenland. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. 1700-1800: de Zuidelijke Nederlanden. Amsterdam: Bert Bakker, 2017.
Eerder publiceerden we een interview met Verschaffel en een uitvoerige kritische beschouwing van Rien Rooker.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.