Gedicht: J.J. Slauerhoff – Van den overkant

Van den overkant

I. Morgen

Ik lag in ’t oeverriet aan de’ overkant
En tuurde naar haar raam in den buitensten paleismuur;
Ik kon niet zien dat zij verscheen,
Want de nevel dreef over de rivier.
Maar de hemel achter mij bloosde van kim tot kim,
Zoodat ik wist dat zij naakt voor haar raam moest staan.

II. Avond

Het zwerk wordt wit en rood, het landschap groen en geel,
Onder een wolk aarzelt de morgenster,
Achter een raam waakt de ster van mijn nacht.
Over den stroom, die mijn boot voorbijsleurt,
Begroeten elkaar de beide sterren,
Over mij heen ziend.

J.J. Slauerhoff (1898-1936)
uit: Yoeng Poe Tsjoeng (1930)

 

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.