Etymologie: zweem

Door Michiel de Vaan

zweem zn. ‘vleugje’

Nnl. sweem (1635), zweem (1715) ‘de minste gelijkenis’, ‘geringe hoeveelheid, glimp, vleugje’. Vanaf de oudste attestaties in veel gevallen in ontkennende context, met geen of zonder.

zwemen ww. ‘enige gelijkenis hebben’

Mnl. sweymen ‘over de grond slepen’ (1410–1430), ‘zweven’ (1450–1470), in hss. met Hollandse, Utrechtse en Gelders-Overijsselse kenmerken, nasweymen ‘naäpen’ (1451–1500). Een rijmend tekstvoorbeeld uit het Brabants, handelend over ‘zwevende’ of ‘dwalende’ zielen: O duvels alle, versterct u neringe! / Hier wert soo over grote geeringe / vanden sielen die hier zweymen, / wi en selense waer weten heymen, in Die erste Bliscap van Maria r. 739–742, Brussel, hs. ca. 1470–1530 (de Vreese 1931).
Nnl. swemen (1615), zweemen (1649) ‘lijken op, de kenmerken vertonen van’. Eenmaal verswemen: ickversweemde in mijn traenen ‘ik verdwaalde/verdronk in mijn tranen’.

In het Nederlands heeft het ww. duidelijk de oudste papieren, waarbij zich in nasweymen reeds de betekenisovergang naar sweemen ‘lijken op’ aftekent. Het zn. zweem moet dus van het ww. zijn afgeleid. De verdeling in het werkwoord tussen ee in de kustprovincies en ei in het binnenland komt overeen met de gebruikelijke reflex van WGm. *ai met i-umlautfactor in het Nederlands.

Verwanten vormen: Middelnederduits swemen, sweymen ‘fladderen, zweven’, Middelhd. sweimen ‘zweven, heen en weer zwaaien’, sweim m. ‘het zweven, heen en weer zwaaien’, Oudengels swǽmen ‘treurig maken’, áswǽmen ‘treuren’, swǽm ‘nietsnut’; Oudnoors sveima ‘rondzwerven’, sveim n., sveimr m. ‘lawaai, opschudding’.

PGm. *swaimjan- ‘zweven, doelloos rondfladderen’ is waarschijnlijk van het eveneens overal aangetroffen zn. *swaima- ‘zweven’ afgeleid. Met een andere stamklinker vinden we Nnl. zwijm, Mnl. swijm ‘flauwte, bewusteloosheid’, Oudsaksisch swīmo ‘duizeling’, Oudfries swīma m. ’bewusteloosheid’, uit PGm. *swīman-, en ON svimi ‘duizeligheid’ < *swiman-. De verdere analyse is onzeker. Kroonen (2011: 251) reconstrueert een afleiding *swéi-mn-, *swi-mén- bij MoIJsl. svía ‘afnemen’ < PGm. *swīan-, en daarnaast een afzonderlijk *swai-ma- bij hetzelfde ww. Dat is mogelijk, maar de betekenis ‘zweven, rondzwerven’ is niet evident van ‘afnemen, duizelig worden’ afkomstig. Een alternatief is daarom, *swaima- af te leiden van PGm. *swīban- ‘zwaaien, zwenken’ (Mnl. swiven) uit PIE *kwseibh‘zwaaien, zwiepen’ (Kroonen 2013: 500). In dat geval kunnen we een zn. PIE *kwséibh-mn, *kwsoibh-mén- ‘zwaai, zwiep’ postuleren, waarvan *swaima- een afstammeling zou zijn.

Literatuur:
Guus Kroonen. 2011. The Proto-Germanic n-stems. Amsterdam/New York: Rodopi.
Guus Kroonen. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden/Boston: Brill.
L. de Vreese (ed.). 1931. Die eerste Bliscap van Maria. Den Haag: Nijhoff.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.