Etymologie: woerd

Door Michiel de Vaan

woerd, waard zn. ‘mannetjeseend’
Als oudste attestatie wordt Mnl. woerde mv. (1380, Kameraarsrekeningen Utrecht) aangezien. Maar dat het hier daadwerkelijk om ‘woerden’ en niet om ‘woorden’ gaat lijkt me, gezien de context, heel onzeker; de brontekst zou opnieuw bestudeerd moeten worden.
Nnl. woert, mv. woerden (1520–1530, Noord-Holland), woorde (1567, NHol.), weert (1622), waertvogel (1636), waard (1811). Vanaf Bredero (1612) vinden we de woordspelende uitdrukking De woorden syn wel goet, maar dEenden leggen d’eyeren.

wartel zn. ‘mannetjeseend’
Nnl. wertel (1623, Zeeland), wartel (1625, Cats, Zeeland).

Dialectvormen: (1) Noord-Holland woerd, woort, oostel. Zuid-Holland waard, Goedereede waerd, Alblasserwaard en westel. Utrecht weerd, wèèrd, Groningen, noordelijk Nedersaksen waord (uit waard), Drente en Veluwe woerd; (2) Zeeuws wertel, waertel; (3) wedik, wiedik in Twente en Westfalen, week(e), wèèk(e) in Overijssel en de Achterhoek; (4) winder, wuunder, wiender, wendel, wenderik en varianten in een brede strook van oostelijk Utrecht, via het oosten van het Rivierengebied en Noord-Brabant, Antwerpen en Vlaams Brabant tot incl. de beide Limburgen.

Verwante vormen: Mnd. warte (1460), Nnd. dial. wart, woort (Holstein, Ostfriesland).

In de standaardtaal vinden we de overgang van aa tot oo en oe tussen w en r + dentaal ook in zwoerd uit *swardu- (eerste attestatie met oe in 1485, met oo in 1567). De vorm waard, waarop woerd en woord teruggaan, kan uit ouder *ward- of *werd komen, vgl. paard uit *perd en andere gevallen. Het Zuidnederlands bewijst *werd- (zie hieronder). Nederduits warte en Zeeuws wartel suggereren dat de t oorspronkelijk is, maar de vorm woorde uit 1567 wijst op d. Het meest voor de hand liggend is dan dat de oudste vorm op een –d eindigde die op het woordeinde tot –t werd, en dat die t her en der gegeneraliseerd werd.

De etymologie geldt als onbekend. Goossens 2001 biedt een interessante mogelijkheid, nl. een oude samenstelling van *wera- ‘man’ en *anad- ‘eend’, met het suffix –er voor mannelijke persoons- en dierennamen (als in kater en, vooral, gander ‘mannetjesgans’). Voor het type samenstelling vergelijk Germaans *wera-wulfa- weerwolf’, eig. ‘man-wolf’. Die etymologie past Goossens toe op dialecttype (4) wender(ik), waarvoor het vocalisme van de zuidelijkste dialecten een ouder *wern(d)er(ik) bewijst. Over het type waard laat Goossens zich niet uit, maar het lijkt me dat het evenzeer uit *wer-anad-, ONl. *weren(e)d-, kan komen. De gereduceerde variant *wernd- kon de n verliezen, waarna *werd- resulteerde dat dan de geattesteerde vormen opleverde. Voor woorde en warte kunnen we een mannelijke n-stam aannemen.

Het Westfaalse wedik is al ca. 1420 als wedic geattesteerd, in 1495 in Deventer als weeck, en werd blijkens de Mecklenburgse dialecten al in de 13e eeuw door migranten uit Westfalen zonder r meegebracht. Het kan dus niet op *werdik teruggaan. De etymologie geldt als onbekend. Denkbaar is een afleiding van het Germaanse ww. *wedan ‘verbinden, jukken’ (Got. -widan, Ohd. giwetan), in de betekenis ‘partner’. De verklaringen uit een lokroep of als Slavisch leenwoord, die Weijnen in zijn Etymologisch dialectwoordenboek (2003) geeft, zijn beide niet overtuigend.

Literatuur:
Goossens, Jan. 2001. Over een bokkesprong van de r, een mannelijke eend en een zweertje op het ooglid. Taal en Tongval 53, 207–223.

Kaarten:
Goossens, Jan. 1988-1994. Sprachatlas des nördlichen Rheinlands und des südöstlichen Niederlands. “Fränkischer Sprachatlas”. Marburg. Deel 3A, kaart 29 ‘Enterich’.
Heeroma, Klaas. 1957-1963. Taalatlas van Oost-Nederland en aangrenzende gebieden. Deel 1, kaart 8.
Kroes, Ja. Chra. 1935. TNTL 54, 245.
van Veen, T. 1964. Utrecht tussen oost en west. Studies over het dialect van de provincie Utrecht. Assen, p. 90, kaart 12.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter