Etymologie: klessebessen

Door Michiel de Vaan

klessebessen ww. ‘kletsen’

Nieuwnederlands Klessebes (1941) ‘roddeltante’, typetje uit een NSB-cabaret dat in de oorlog op de radio te horen was; klessebessen ‘zeuren, kletsen’ (1942), geklessebes ‘geklets’ (1942).

Westnederlands bargoens klissebisse ‘zeuren’ (1912, Querido), klissebissen ‘harrewarren, zeuren’ (1937), klissebisje ‘wissewasje’ (1925), klissebis ‘kleinigheid’ (1931).

Klessebessen is waarschijnlijk geënt op klissebissen, met invoering van de e van klessen. In Noord-Holland is ts vaak ss geworden, en staan bovendien kletsen en klessen naast de varianten klitsen en klissen. Klissebissen werd dus opgevat als een afleiding van klissen ‘kletsen’ en daarna werd (hypercorrect) de i door een e vervangen.

Maar in werkelijkheid komt klissebissen niet (direct) van klissen ‘kletsen’, maar van ouder kissebissen ‘kleingeestig twisten’, ‘treuzelen, lanterfanten’ (vanaf 1697 als kidze-vidzen, vanaf 1782 als kissebissen bekend), zoals de betekenis duidelijk aantoont. Wel is denkbaar dat kissebissen in die zin gekruist werd met klissen dat het van dat laatste in de 20e eeuw de l overnam.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter