En scheurde’ aan flarden ’t hijgend lijf zijn eigen honden

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (111)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Hoewel minder bekend dan haar sonnetten vol gevoelige mijmeringen en al dan niet vage klachten over het leven, bestond misschien het sterkste deel van het oeuvre van Hélène Swarth wel uit haar gedichten vol liefdesverdriet. Het onderstaande komt bijvoorbeeld uit een cyclus die ze in 1911, het jaar nadat haar huwelijk met Frits Lapidoth gestrand was, publiceerde in De Gids.

Gelijk de knaap, die dorst Diana koen bespieden,
Wen viel het kuische kleed, door nymfen blank ontbonden,
Wen los de lokkenspang liet vlottend zilverblonden
Een vloed van harenzij – hij voelde ’t bloed doorzieden,
Vol wilden liefdelust, zijn bonzende aadren – vonden,
In ’t krakend kreupelhout, waar blaadren hem verrieden,
En sprongen naar de keel, zoodat hij niet kon vlieden,
En scheurde’ aan flarden ’t hijgend lijf zijn eigen honden; –

Triomflach klonk door ’t woud, doch éen, wier lippen kusten
Weleer zijn rooden mond, bij ’t bloedig lijk bleef treuren,
Alleen, en liet zijn hoofd in wiegende armen rusten.

Gelijk dien jagersknaap zulle’ u ook éenmaal sleuren
Door Levens najaarswoud uw eigen wilde Lusten
En, onder hoongelach van vrouwen, u verscheuren.

Het gedicht geeft de totale verwarring weer van de liefdesverdrietige. De man was ontrouw –je denkt onwillekeurig aan de autobiografische aanleiding, Frits Lapidoth was een soort Prins Bernard van de vroege twintigste eeuw – en verdiende daarom dat zijn ‘hijgend lijf’ ‘aan flarden’ werd gescheurd, en dan liefst door zijn ‘eigen honden’, en dat alles ook nog ‘onder hoongelach’ van vrouwen.

Tegelijkertijd: in het verhaal van Ovidius heeft de knaap (Actaeon) er weinig aan doen: hij ‘dorst’ Diana niet bespieden, nee, hij zag haar toevallig ergens terwijl hij aan het jagen was. Zit hier in dit gedicht niet ook nog de stiekeme hoop verstopt van de bedrogen minnares dat hij het allemaal niet zo meende? En wie is precies die ‘één’ die bij het bloedig lijk bleef treuren?

Hoe dan ook wordt de toon gezet door de majestueuze syntaxis van het sonnet. De eerste zin overspant 11 regels, waarin door allerlei inversies bijzinnen hoofdzinsvolgorde (‘die dorst Diana koen bespieden’ in plaats van ‘die Diana koen dorst bespieden’) krijgen, terwijl in de hoofdzin het onderwerp naar achteren wordt geplaatst (‘en scheurde aan flarden ’t hijgend lijf zijn’ eigen honden’).

Het is jammer dat zulke middelen uit de gratie zijn geraakt. Ze suggereren, juist door de ongebruikelijke lengte en de ongebruikelijke structuur, een enorm meesterschap. Doordat het er allemaal grammaticaal zo ongebruikelijk aan toegaat, voel je als lezer een zekere spanning: waar gaat dat naar toe. En uiteindelijk lost die spanning op.

De dichteres heeft het allemaal kennelijk in de hand, qua vorm. Wat de enorme verwarring van de inhoud (die man moet eerst aan flarden worden gescheurd waarna zij hem als enige liefderijk in de armen houdt) des te feller gevoeld wordt.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op En scheurde’ aan flarden ’t hijgend lijf zijn eigen honden

  1. Nick van Broekhoven, Geldrop schreef:

    Gelijk de knaap, die dorst Diana koen bespieden,
    Wen viel het kuische kleed, door nymfen blank ontbonden,
    Wen los de lokkenspang liet vlottend zilverblonden
    Een vloed van harenzij – hij voelde ’t bloed doorzieden,
    Vol wilden liefdelust, zijn bonzende aadren – vonden,
    In ’t krakend kreupelhout, waar blaadren hem verrieden,
    En sprongen naar de keel, zoodat hij niet kon vlieden,
    En scheurde’ aan flarden ’t hijgend lijf zijn eigen honden; –
    …..
    Verrukkelijk dat zo’n gedicht nog eens tevoorschijn gehaald is, met dat signaalwoord GELIJK , aan het begin van wat “de majestueuze syntaxis van het sonnet” genoemd werd.
    Opgeleid ben ik jaren geleden aan de hand van o.a. C. Stutterheims ‘Conflicten en grenzen'(1963) en diens ‘Taalbeschouwing en Taalbeheersing’ (1954), en verder begeleid met het werk van o.a. Kees Fens (‘Broeinesten en bijbelplaatsen’, 1983). Jaren later raakte ik in de ban van Hölderlins gedichten waarin zo’n syntaxis met succes werd toegepast, zoals bijvoorbeeld in “WIE WENN AM FEIERTAGE….”. Heerlijk taalgebruik en dank voor deze parel.

Reacties zijn gesloten.