Een berooide student en een zingende molenaar

Door Ton Harmsen

059noosemanstudent164601

Het leven van een filoloog is met het internet in korte tijd wel een stuk gemakkelijker geworden. Natuurlijk was het twaalf jaar geleden veel avontuurlijker: als je iets wilde weten bracht je uren door in studiezalen en je was dolgelukkig als je vond wat je zocht, of iets wat erop leek. Nu tik je bij google drie woorden in en daar is het resultaat. De romantiek is eraf, maar het is wel praktisch.

Ineke Grootegoed, Arjan van Leuvensteijn en Marielle Rebel, die in 2004 De beroyde student (1646) van Jelis Noozeman uitgaven (inmiddels met hun inleiding en broodnodige annotaties zowel bij de DBNL als bij Ceneton te vinden) moesten het nog doen zonder de elektronische Nederlandse liederenbank. In vers 212 zingt Volckert de molenaar het lied van ‘Moy Niesje, en Rosbaertje’. Zij wisten dit te koppelen aan het lied ‘Van Plompaard en zen Wijvetje’, maar die tekst komt niet helemaal overeen met wat de molenaar in de klucht zingt. De ‘Liederenbank’ toont nu meteen de oplossing: het lied van Rosbeyertje en Mooy Niesje.

059rosbeyertje01
Met de vindplaats erbij: het is katern 5 van de zogenaamde Collectie Nijhoff, een convoluut met zeventiende-eeuwse volksliedjes in de UB van Leiden, 116 katernen in één dikke band, in totaal 900 pagina’s met ongeveer 500 liederen.

Die collectie Nijhoff is een bundeling van liederen van Pieter de Vos, alias Klein Jan, gedrukt rond 1700. Pieter de Vos trok met deze liederen van café naar café en van feest naar feest om ze te zingen en uit te venten. Dit lied heeft dan dus al minstens een halve eeuw gecirculeerd. Het lied van Pieter de Vos gaat zo:

 


.
        Een Nieu Amoureus
.        Liedeken, Rosbeyertje en Mooy Niesje,
.
.        Stem: Als ’t begint..

.        Rosbeyertje en Mooy Niesje,
.        Die waren vroeg opgestaen,
.        Drie uurtjes voor dagen,
.        Uyt snijden soude hy gaen.
.        En doen zy hadden gesneden,
.        Die lieven langen nagt,
.        Mooy Niesjen sneed in haer vinger
.        Tot dat ’er het bloed uyt quam.
.        Nu gaet hier voor mijn zitten
.        Nu gaet hier voor mijn staen
.        U vinger sal ik jou verbinden
.        Eer gy ’er te bedde sult gaen.
.        Zy ging staen voor haer Moeder
.        Vrouw Moeder geeft mijn raed
.        Rosbeyertje wil by my slapen,
.        Ik en kan ’t niet ontgaen.
.        Wil Rosbeyertje by u slapen,
.        Kunt gy hem niet ontgaen,
.        Soo spreyd u beddeken sagten,
.        Regt of gy te bedde soud gaen.
.        Zy maekten Rosbeyertje dronken,
.        Al in de koele wijn,
.        Hy meenden by Mooy Niesje te rusten,
.        Hy lag by zijn getroude Wijf.
.        Snagts ontrent ter midder nagten,
.        hy kustense voor haer rooder mond,
.        Of was ’er mijn Vrouwtjes vel soo sagte,
.        ’t Was mijn waerd wel duyzend pond.
.        En zy hief op haer slinker hand,
.        en zy gaf hem daer een slag,
.        Ik ben u Vroutje geweest soo langen,
.        zoo meenigen droevige dag.
.        Hebt gy soo lang geweest mijn Vrouwe,
.        En ook soo meenigen droevigen dag,
.        Soo is ’er jou dat slagje vergeven,
.        Het slagje dat gy mijn gaf.
.        Ik zweer op al de Heylige Knapen,
.        By Joseph de onnoselen bloed,
.        Ik sal nog by Mooy Niesje slapen,
.        Al sou ’t kosten mijn halve goed.

Dat doet denken aan de klucht van de molenaar! Niet verwonderlijk dat Noozeman juist dit lied door een molenaar laat zingen. De melodie die erbij hoort is te beluisteren op de LP ‘De hoer van Babylon’ die Camerata Trajectina in 1987 uitbracht.

Dat de kluchten van Jelis Noozeman (je mag ook Jillis Noseman zeggen) vermakelijk zijn blijkt uit de opvoeringen van Theatergroep de Kale: na de leesvoorstellingen eerder dit jaar van Kryn Onverstant of het vrouwenparlement en Lichte Klaartje staat nu een geënsceneerde voorstelling van De beroyde student op het programma. Een klucht die het op het toneel goed doet: in de kast uit de kast, overspel, liederen, tovenarij en dronkenschap, wat wil het schouwburgpubliek nog meer? Wie ook nog een moralistische conclusie wil, is bij Noozeman aan het verkeerde adres: dit is typisch toneel, het gaat hem alleen om het plezier: het spel, het decor en de verrassing. De student die door de molenaarsvrouw wordt buitengesloten (zij heeft een rendez-vous met de rijke buurman, dus hij komt echt op het verkeerde moment) ontpopt zich eerst als een vermakelijke bedrieger (hij maakt de molenaar wijs dat hij eten kan toveren en toont dan de heerlijke maaltijd die de rijke buurman heeft klaargezet) en blijkt tenslotte een doorgewinterde rokkenjager te zijn (hij maakt onverbloemd de dienstbode het hof).

Noozemans taalgebruik

De imitatie van de spreektaal laat toe dat je lekker smokkelt met voetmaat, rijm en rede. Noozeman maakt graag gebruik van spreekwoorden. Soms zijn dat zogenaamde ‘zei-spreuken’, met een minder gelukkige term ook ‘apologische spreekwoorden’ genoemd – van het type ‘Ik wou dat ick ’t sach, sey de blinde-man, dat mijn kinderen vochte.’ (uit Gerrit Cornelisz van Santen). Iemand zegt iets dat je niet verwacht; de situatie maakt dit duidelijk of toont er de absurditeit van aan. Een voorbeeld is vs. 111: ‘Het overleggen is ’t al sey ’t wijf toense speck in de boter briet.’ Het gaat om voorzichtigheid (of zuinigheid), dat moet je nodig zeggen als je spek braadt in boter. Andere voorbeelden van standaard-uitdrukkingen in de tekst zijn ‘van al ’t slapen krijgh men een dick hooft sey Jan Floor’ (vs. 253) en ‘Moey jy jou met gort as wy beulingh stoppe’(vs. 443a). Vooral Gregorius, de student, maakt de blits met zijn taalgebruik. In de eerste plaats natuurlijk omdat er allerlei Latijn in voorkomt. Soms is het potjeslatijn (tenzij het een zetfout is: ‘Excutio juris’ voor verbeurdverklaring, vs. 84), maar vaak blijkt Noozeman goed op de hoogte te zijn van grammatica en stilistiek: hij gebruikt een keurige genitivus objectivus in ‘respectum Studiosi’ (vs. 79) en de stijlfiguur ‘derivatio’in ‘cum me misero tam misere’ (vs. 86): hij combineert woorden van dezelfde stam, maar van verschillende woordsoort. Hier is ‘misero’ een adjectivum en ‘misere’ een adverbium. Zelfs de molenaar kent de bijzonderheden van het Latijnse schrift: als hij zegt ‘Maer daer moet altijdt ien krul mier, als ien varckens-staert, wesen by de Studenten’ (vs. 386) doelt hij op de krul waarmee in cursief schrift soms de uitgang ‘-us’ van verlatiniseerde eigennamen wordt geschreven. Vooral de ‘distinctio’ van Pleuntje (‘De Meyt’) is spectaculair: deze stijlfiguur herhaalt een woord in een meer specifieke betekenis. Het herhaalde woord heeft een duidelijker omlijnde betekenis dan het eerste woord. Deze stijlfiguur gebruikt Noozeman om de hoopvolle paniek uit te drukken die zich van de dienstmaagd meester maakt, als de student helemaal aan het einde van het spel probeert haar te versieren. Zij gebruikt in vier verzen (vs. 640 e.v.) acht keer het woord ‘mens’, en het is een hele opgaaf om te achterhalen wat zij bedoelt: zichzelf, de student, de mens in het algemeen, of in een bijzondere hoedanigheid? In ieder geval drukt deze stijlfiguur Pleuntjes morele dilemma prachtig uit.

De moraal van de klucht

In de laatste scène leeft Gregorius in de veronderstelling dat hij de buit binnen heeft, als hij Pleuntje aanbiedt in ruil voor ‘een soen’ zijn toverkunst te leren. Haar verontwaardigde afwijzing maakt duidelijk dat het om meer dan een kusje gaat, maar zij is ook weer zó verontwaardigd dat het lijkt alsof zij er wel oren naar heeft. Dan komt er een erotisch gebruik van het woord ‘brood’, dat hier kennelijk behalve gebakken meel ook een instrument van geslachtsverkeer betekent. Pleuntje laat merken dat zij dat wel begrijpt, maar niet wil begrijpen. Haar toenemende verwarring heeft een komisch effect. Gregorius vat het in ieder geval op alsof zij zich gewonnen geeft: triomfantelijk wendt hij zich tot het publiek met het verzoek niet jaloers te zijn op zijn ‘arme vreughd’ – ook een signaal dat hij zijn vrijerij met Pleuntje niet erg serieus opvat:

Greg. Wel meysje, ’k wil jou die kunst wel leeren, geefje mijn een soen,
.        Seecker, laet ick, ’k sal jou vriendschap, en geen quaet doen.
Pleunt. (640) Hemme, seg ick mens, wel schaemje, sucke dinge!
Greg. Hey! jou vrou wijstje de weg, daerom soumen ’t voor geen mirakel singe.
Pleunt. Stille mens, hoe staet hier dit mens dus een mens en bruyt?
.        Hey dit acremense mens, hoe quelt mijn deuse guyt!
.        ’k Segh mens, laet ien mens met vreen, of ick sel mensche te hulp roepe:
.        (645) Loop by jou hoere, dit leelicke dingh, wilje hoepe.
Greg. Hoor kijnt, als het jou sin niet en is, soo laet ick het betien.
Pleunt. Siet, om gien duysent gulden liet ick dat geschien.
Greg. Maer seecker, Pleuntje, in soetigheyt, alle gecken laet varen,
.        Ick heb jou al vry besint, ick wil geen brood voor vriende sparen:
.        (650) Ick salje morgen jou buyck vol heet witte-brood geven, als de backer blaest,
.        Dan moetje mijn oock niet weerbarstigh zijn, hoe staeje dus verbaest?
.        Mijn doelwit! mijn suyckerde Pleuntje! ghy kunt het niet wederleggen.
Pleunt. Ick kan niet kallen, maer ick heb al mijn leven hoore segge,
.        Dat men om het waerdige brood veul moeten doen, en bestaen:
.        (655) En om my selve tegen het deuchdelijcke broodt niet te besondighe, sou ick het licht met hem aengaen.
.        Durf ick wel? jae ick ben te vreen: maer jy en hoeft niet te dencke,
.        Dat ick om jou schoon backus, of malle groenigheydt, jou mijn kuysheydt sal schencke;
.        Neen: maer ’t geschiet om ’t broods-halven, och heer! om dat kostelicke brood.
Greg. Het zy dan om bier, of broods-halven, dat is geen nood,
.        (660) Hebben is hebben, ’t is even veel waer ’t van daen mach komen.
.        Mijn eygen heylige dagh, sulcken brockje niet te vermuylen, al was ’t uyt de kerck genomen,
.        De gaert is nou suyver, ’t was jammer dat ghyse alleen schutten soudt.
Pleun. ’t Is wel quinckertje, jou schelmpje, jy wort al vry wat stout.
.        Kom, helpme dit goetje mee op de meulen drage,
.        (665) Wy moeten ons eerst iens vertoone, dan sulle wy sien hoe onsen handel wil slage.
Greg. Kom nou, ghy braet-veugels, die gaeren om een avontuurtje gaet,
.        Geef de moet niet verloren, schoon ’t onluck jou somtijds aen d’oore slaet:
.        Dat rat loopt dickwils heel vreemt, dat sieje voor jou ooge.
.        Dit volckje geeft my nu mijn wil, nou ickse heb bedrooge:
.        (670) En te veuren wouwe sy mijn niet sien. Eele behulp’lickheyt,
.        Ick danckje, datje mijn soo luckigh hebt geleyd.
.        Nou vrientjes, wilt jou hier voor ditmael soo mee lyden.
.        Ey! wilt mijn arme vreughd, met Pleuntje, niet benyden.

De kluchten van Noozeman zijn allemaal te lezen bij Ceneton; zolang ik nog niet in Parijs ben geweest (of u) zijn we nog even ver als op 29 januari jl. toen ik in de laatste alinea van mijn stukje over Krijn Onverstant schreef dat twee van zijn kluchten alleen daar, in de Fondation Custodia, bewaard zijn. Een van beide, Lichte Klaartje, staat op de lijst-van-honderd van ‘In Reprise’. Misschien toch maar weer eens naar de Lichtstad.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Een berooide student en een zingende molenaar

  1. Marielle Rebel schreef:

    Wat leuk om nu, zoveel jaren nadat ik afstudeerde op ‘De Beroyde Student’ de ware herkomst van het liedje over Rosbeyertje en Mooy Niesje terug te vinden. Bijzonder ook dat er ook nu nog aandacht voor deze tekst is in de wereld van de Neerlandistiek :-). Ik vind het heel jammer, dat ik dit bericht vandaag pas lees: de voorstellingen van Theatergroep De Kale zijn inmiddels uitverkocht en ik had het erg leuk gevonden om erbij te kunnen zijn om ‘mijn’ klucht opgevoerd te zien worden.

Reacties zijn gesloten.