De lat van Boendale

Door Bas Jongenelen

Donderdag 3 november jl. vond in De Brakke Grond te Amsterdam de Dag van de Literatuurkritiek, georganiseerd door De Buren en De Reactor. Ik mocht er de openingslezing verzorgen. De tekst daarvan was:

Hoe hoog leggen we de lat van Boendale? – Middeleeuwse literatuurkritiek in de klas

 

Af en toe, in gezelschap van neerlandici, doe ik een onderzoekje naar waarom zij ooit Nederlands gingen studeren. Deze onderzoekjes zijn niet representatief, niet reproduceerbaar en de uitkomsten ervan zijn niet betrouwbaar – ik zal er dus nooit over publiceren. Toch wil ik er hier en nu wel het een en ander over kwijt. Uit mijn onderzoekjes blijkt steeds weer dat de meeste neerlandici Nederlands zijn gaan studeren, omdat ze zo’n enthousiaste docent Nederlands op de middelbare school hadden. Herkent u dat? Bent u neerlandicus? Kunt u zich nog goed uw docent Ne voor de geest halen? Ik wel. Mijn leraar Nederlands van mijn eindexamenjaar (1988) was meneer De Ridder. Soms oreerde hij over onze hoofden heen, soms zette hij een hoorspel op, soms discussieerde hij over de uitzending van Sonja Barend van de avond ervoor (‘Wat ik gisteren toch bij Sonja gezien heb…’). Zijn lessen over Willem Kloos waren meesterlijk, het facsimile-exemplaar van Mariken van Nieumeghen bezorgde mij een historische sensatie en zijn vraag of je in principe geen principes kunt hebben zette alles wat je dacht te weten op losse schroeven. De Lof der Zotheid van Erasmus stond toen op mijn literatuurlijst en De Lof der Zotheid van Erasmus speelt nu (bijna dertig jaar later) een belangrijke rol in het proefschrift dat ik schrijf over humor in 1561. De lessen Nederlands hebben mijn leven beïnvloed.

Mijn vraag over de docent Nederlands die je leven beïnvloed heeft, wekt meestal nostalgische glimlachjes op op de gezichten der neerlandici. Geheugens worden geactiveerd, alsof er zojuist een madeleine in een kopje lindebloesemthee gedoopt is, en de verhalen beginnen te stromen. De tweede vraag van mijn onderzoekjes is steeds: ‘En hoeveel van jouw leerlingen zijn er Nederlands gaan studeren?’ Die vraag zorgt voor zure gezichten. Kent u dat filmpje van die baby die een citroen krijgt? Hij denkt dat het iets zoets is en bijt er met volle overgave in. Maar het is een citroen! Zulke gezichten dus. Iedereen snapt meteen welke kant ik op wil: ik wil hen beschuldigen van saaie lessen, van ongeïnspireerdheid en van de dood in de pot. En dat is waar, daar beschuldig ik hen van. Meteen gaat men in de verdediging: ‘Ja maar we moeten oefenen voor het examen.’ Als ik dan vraag of de examenresultaten tot tevredenheid leiden, dan antwoordt men meestal ontkennend. Ja leraren Nederlands, dan hoef je dus ook niet te oefenen, of in ieder geval hoef je niet zo veel oefenen. Als drie jaar tekstverklaren niet leidt tot een hoog cijfer voor tekstverklaren op het examen, dan zal vier jaar tekstverklaren ook niet tot hoge cijfers leiden. Al ben je zes jaar bezig met het onderwerp en de hoofdgedachte – leerlingen zullen nooit, maar dan ook nooit plezier krijgen in het schoolvak Nederlands, laat staan dat ze er hoge cijfers voor zullen halen. Wordt het niet eens tijd voor een experiment? Als lang oefenen niet leidt tot het gewenste resultaat, zou je dan niet eens proberen om kort te oefenen? Dat je drie weken oefent. Ik zeg maar wat, hoor. Misschien kun je eens beginnen met drie maanden.

De leraar Nederlands heeft zes jaar lang, drie uur per week een podium om te laten zien wat voor prachtvak we hebben, het resultaat is dat de leerlingen liever psychologie gaan studeren. Psychologie! Een vakgebied vol idioten, vol statistiek en vol idioten en statistiek. We doen iets verkeerd in ons land. En of ik met de oplossing kon komen. Kan ik niet. Ik heb natuurlijk wel zo mijn ideeën en ideetjes. Zo vind ik dat we af moeten van dat malle eindexamen. Het is ongehoord dat docenten tot andere antwoorden komen dan het correctievoorschrift, het is bizar dat auteurs hun eigen teksten niet meer (h)erkennen, het is van de zotte dat het examen niet meet wat het zegt te meten. Is dit ook zo bij andere vakken? Onze collega’s natuurkunde hoor ik hier nou echt nooit over. Dus weg met dit examen. Ik zou veel liever een examen zien naar Latijns model. Er staan dan ieder jaar een paar literaire teksten centraal. Die werken worden gelezen en besproken in de klas en daar gaat het examen over. Een mengvorm van proza, poëzie, toneel en essayistiek. Een ideaal examen? Vast niet. Interessant wel, leerzaam ook. Met allerlei mogelijkheden, want bij dat essay kunnen ook vragen gesteld worden over argumentatiestructuur en tussenkopjes. Het examen zal er rijker en gevarieerder op worden. Precies zoals het schoolvak Nederlands is: rijk en gevarieerd.

Maar goed, dat eindexamen krijgen we niet 1-2-3 veranderd, dus ondertussen moeten we iets anders doen. Zoals ik zojuist vertelde, is oefenen-oefenen-oefenen de dood in de pot. Leerlingen zullen zich vervelen en ik kan me ook niet voorstellen dat u er als docent veel arbeidsvreugde uithaalt. Denk nog maar eens terug aan je eigen bevlogen docent Nederlands. De docent die zo enthousiast over literatuur kon praten – waarom doen we dat niet? Het is maar een idee, hoor.

Deze dag is de Dag van de Literatuurkritiek, ik ben een historisch letterkundige met een voorkeur voor Middeleeuwse literatuur. Aan mij de taak die twee zaken met elkaar te combineren: Hoe kan literatuurkritiek in de klas gebruikt worden om historische literatuur te ontsluiten voor leerlingen? Dat vind ik een heel moeilijke vraag. Zoveel historische werken worden er niet gepubliceerd en ze worden al helemaal niet besproken in de dag- en weekbladen. Lessuggesties als ‘Kopieer uit de boekenbijlage van afgelopen vrijdag de recensie over een ridderroman…’, ‘Laat een leerling drie recensies van een achttiende-eeuwse brievenroman met elkaar vergelijken…’ of ‘Welk rederijkersgenre heeft duidelijk de voorkeur van de criticus…’ zijn onmogelijk uit te voeren. Tom Poes verzin een list. A cunning plan, zou Blackadder het noemen.

Ik wil twee kanten uit met het begrip literaire kritiek, twee kanten die ook weer samen zullen komen. Eerst wil ik het begrip literaire kritiek oprekken, daarvoor wil ik kijken naar de Engelse betekenis:

“Literary criticism (or literary studies) is the study, evaluation, and interpretation of literature. Modern literary criticism is often influenced by literary theory, which is the philosophical discussion of literature’s goals and methods. Though the two activities are closely related, literary critics are not always, and have not always been, theorists.”

Wat een prachtige definitie, en dat nog wel van Wikipedia (laat mijn studenten het maar niet horen). Literatuurkritiek is de studie, evaluatie en interpretatie van literatuur. Ik pleit voor meer aansluiting tussen het voortgezet onderwijs en universitaire studies als Nederlands of Literatuurwetenschap. Met welke onderzoeksvragen houdt men zich op de universiteit bezig? Probeer de universitaire literatuurkritiek de klas binnen te halen. Probeer de leerlingen literair-historische teksten te laten bestuderen, evalueren en interpreteren. Bij biologie zijn ze al in de eenentwintigste eeuw, daar hebben ze het over genetische modificatie, bij Nederlands hebben we het over oubollige, ouderwetse en achterhaalde denkbeelden als ‘rederijkers waren niet origineel’, ‘Hebban olla vogala is de oudste Nederlandse zin’ en ‘de achttiende eeuw was een periode van teruggang’. Het hoeft allemaal niet zo ingewikkeld, die academische master komt later nog wel eens. Literary criticism kan ook op vierdeklasniveau.

Het begrip literaire kritiek wil ik ook oprekken naar het poëticale. Een poëticale tekst is een literair-kritische tekst. In de Middeleeuwen bestonden er geen kranten en tijdschriften waarin literatuurkritiek gebezigd werd, maar in de Middeleeuwen bestond wel Jan van Boendale. Een van de hoofdstukken uit zijn Der leken spieghel is ‘Hoe dichters dichten sullen ende wat sie hantieren sullen’. In dat hoofdstuk legt Boendale uit wat de eisen zijn aan een auteur en aan een literaire tekst, het hoofdstuk is dus een poëtica. Poëticaal onderzoek past prima in het Engelse begrip van literary criticism. Wanneer leerlingen een Middeleeuws literair werk langs de lat van Boendale leggen, dan komen daarmee mijn twee kanten van literaire kritiek samen: de leerlingen moeten zelf een literaire tekst bestuderen, evalueren en interpreteren én ze leren een literair-kritische tekst te gebruiken.

In ‘Hoe dichters dichten sullen ende wat sie hantieren sullen’ geeft Jan van Boendale in zijn inleiding drie punten waar een dichter aan moet voldoen. Ten eerste moet hij een gramarijn zijn, op de tweede plaats moet hij warachtich en (het derde punt) eersaem van levene. In de kern van zijn stuk legt hij uit wat die drie punten inhouden.

Het eerste begrip, ‘gramarijn’, legt hij uit als ‘taalvaardig’. De dichter moet weten hoe de spelling van de woorden is (spelling in de Middeleeuwen? Hebben we hier een oproep voor een Nederlandse standaardtaal?), hoe zinnen gemaakt moeten worden en dat je je talen spreken moet. Onder de taalvaardigheid verstaat Boendale vervolgens dat je een verhaal correct op moet bouwen, je moet het ‘pointelijc’ vertellen. Een goed verhaal heeft een ‘prohemium int beghin’ waarin je vertelt wat er komen gaat en wat je bronnen waren. In het middendeel vertel je het verhaal en je zorgt dat je er een goed einde af maakt.

De waarachtigheid is het tweede punt dat Boendale naar voren brengt. Een dichter mag niet liegen, want wat je schrijft zal lang bewaard worden. Wie wil er de geschiedenis in gaan als leugenaar? Schrijf nou maar gewoon naar waarheid, dan komt je wijze les ook beter uit de verf. Er zijn uitzonderingen op deze regel: parabels zijn verzonnen verhalen (en Jezus vertelde parabels), fabels mogen verzonnen zijn (niemand gelooft immers dat die dieren kunnen praten) en kluchten zijn uiteraard ook nooit echt gebeurd (maar zorg ervoor dat je met je humor niemand beledigt).

Ten derde de eerzaamheid. De dichter moet eerzaam zijn, hij moet het goede voorbeeld geven. Zo mag hij niet voor het geld schrijven, maar moet hij schrijven voor God. Een dichter die een wijze les geeft, en die zich niet houdt aan zijn eigen wijze les is een dichter van niks.

We weten nu waar een Middeleeuwse dichter en een literair werk aan moesten voldoen, dus nu kunnen we een Middeleeuws werk toetsen aan de criteria van Jan van Boendale. Als voorbeeld zal ik Beatrijs geven. Iedereen kent de openingszinnen van die prachtige legende, daarom zal ik ze even voorlezen:

Van dichten comt mi cleine bate.
Die liede raden mi dat ict late
Ende minen sin niet en vertare.
Maer om die doghet van hare
Die moeder ende maghet es bleven,
Hebbic een scone mieracle op heven,
Die God sonder twivel toghede
Marien teren, dien soghede.
Ic wille beghinnen van ere nonnen
Een ghedichte. God moet mi onnen
Dat ic die poente moet wel geraken
Ende een goet ende daer af maken
Volcomelijc na die waerheide
Als mi broeder Ghijsbrecht seide,
Een begheven willemijn.
Hi vant in de boeke sijn;
Hi was een out ghedaghet man.

Dit is de proloog, daarna begint het verhaal zelf. Juist in deze proloog zit veel informatie. Sowieso is het een proloog, iets wat Boendale al heel erg fijn gevonden zou hebben. We zitten dus al op het spoor van de indeling inleiding-kern-slot. De dichter vertelt in dit prohemium dat hij de ‘poente moet wel gheraken’ – precies wat Boendale aanraadt. Het is ook een verhaal ‘volcomelijc na die waerheide’. Daarnaast neemt de lezer / luisteraar (waarschijnlijk was Beatrijs toch eerder een luisterboek dan een leesboek) kennis van de bron van de dichter: broeder Ghijsbrecht. Er is nog een puntje: ‘Van dichten comt mi cleine bate’ – oftewel: ik dicht niet voor het geld. De dichter onderstreept zijn eerzaamheid. Hij schrijft niet voor het geld, maar voor de eer van Maria. In dit korte proloogje zit de hele poëtica van Jan van Boendale. Beatrijs is dus goedgekeurd door de Nederlandse Vereniging van Huisdichters.

Leerlingen kunnen dit zelf ook heel goed. En vooral met die usual suspects. Mariken van Nieumeghen heeft een mooi proloogje, Vanden Vos Reynaerde ook – ach, duik uw boekenkast in en zie zelf dat veel Middeleeuwse werkjes langs de lat van Boendale gelegd kunnen worden. Door ‘Hoe dichters dichten sullen ende wat sie hantieren sullen’ te gebruiken in de klas en door leerlingen op deze wijze poëticaal onderzoek te laten doen, ben je af van die strontvervelende boekverslagen die de leerlingen niet zelf schrijven en zijn de leerlingen bezig met een soort academische literatuurkritiek. Bij natuurkunde en scheikunde doen leerlingen vaak proefjes, maar Nederlands nou nooit. Welnu, deze vorm van poëticaal onderzoek kun je brengen als een proefje en de vorm van het verslag is het onderzoeksverslag. Academische vragen, academische verslagen, academische vaardigheden, academische literatuurkritiek – ik denk dat het schoolvak Nederlands er een stuk interessanter op wordt (ook voor de docent) als we onze leerlingen daarmee bezig houden.

Moedig voorwaarts en nimmer dralend, broeders en zusters in de neerlandistiek, moedig voorwaarts!

Dit bericht is geplaatst in column, geen categorie, letterkunde, opinie, schoolvak Nederlands met de tags , . Bookmark de permalink.

5 reacties op De lat van Boendale

  1. Jan Uyttendaele schreef:

    Mooie tekst, maar met de interpretatie van ‘Van dichten comt mi cleine bate’ ben ik het niet helemaal eens. Volgens Theo Meder was de dichter van de Beatrijs een beroepsdichter, iemand die met het maken en voordragen van zijn gedichten zijn brood moest verdienen, ook ‘sprookspreker’ genoemd. Sprooksprekers traden vaak op ’s avonds aan tafel, tijdens of na de maaltijd. Na afloop werden ze door de gastheer betaald. Het openingsvers ‘Van dichten comt mi cleine bate’ diende alleen maar om ervoor te zorgen dat hij een goede beloning zou krijgen voor zijn optreden.

    • Bas Jongenelen schreef:

      ‘Ik schrijf niet voor geld,’ staat er, wat de toehoorder daarin wilde horen, moest hij zelf weten. Natuurlijk sloeg de dichter geen geld af, maar hij zei in zijn prohemium niet ‘Van dichten comt mi grote bate.’ Dat zei hij niet.

      • Jan Uyttendaele schreef:

        Wat zegt de dichter eigenlijk? In de vertaling van Willem Wilmink lees ik: ‘Het dichten brengt me weinig voordeel.’ Dat is m.i. niet hetzelfde als ‘Ik dicht niet voor het geld.’ In de volgende verzen zegt hij overigens: ‘De meeste mensen zijn van oordeel dat ik een ander vak moet leren.’ Anders gezegd: ik probeer van mijn pen te leven, maar het lukt me niet.

  2. Jan Uyttendaele schreef:

    Sorry voor mijn detailopmerking. Ook ik vind dat het schoolvak Nederlands het roer radicaal moet omgooien. Bedankt voor dit schitterend pleidooi!

  3. Erwin Mantingh schreef:

    Bij de laatste opmerking sluit ik me graag aan. Een mooie suggestie (geheel in de geest van het Manifest Nederlands op School)! Ik heb zelf nooit de tekst van Boendale in de klas gebruikt maar zou, geïnspireerd door je geestdrift, niet de kans laten liggen om de leerlingen de drie eisen ook aan hedendaagse literatoren te laten toetsen. Het zou me niet verbazen als veel leerlingen het nog steeds een heel zinnige trits vinden en verrast vaststellen dat moderne dichters er niet aan voldoen. Hun verwondering zou een mooie bijvangst zijn.

Reacties zijn gesloten.