De conventies van de geschoolde poëzielezer

Door Gert de Jager

Een paar maanden geleden verscheen Dichters van het nieuwe millennium; Marc schreef er al eerder over. Het is een bij Vantilt verschenen en dus fraai uitgegeven bundeling van 24 opstellen van 24 literatuurwetenschappers over het werk van 24 dichters die na het jaar 2000 debuteerden. Het boek is goed ontvangen en terecht, lijkt mij. Al was het alleen maar omdat het voorziet in een behoefte: een gedegen overzicht van de stand van zaken hoeven poëzieliefhebbers in kranten en tijdschriften niet meer te verwachten. In de 24 opstellen stellen de auteurs de dichters voor en trekken ze voorzichtige lijnen in een oeuvre. Die auteurs kunnen beginnende literatuurwetenschappers en eerbiedwaardige hoogleraren zijn; op een enkele uitzondering na is het niveau hoog.

Heterogene auteurs en heterogene dichters: de verleiding is groot om in te gaan op allerlei individuele merites. Dat geldt vooral voor de dichters: in een boek als dit voltrekt zich voor onze ogen een proces van canonisering. Er zijn dichters van wie het me verbaast dat hun werk een geleerde bespreking waard is; er zijn dichters van wie het me verbaast dat ze in dit boek niet voorkomen. Maar interessanter dan het Grote Bloemlezingen Gezelschapsspel – als volgende week Pfeijffers bloemlezing uitkomt, gaan we daar een verhevigde versie van meemaken – is een andere vraag: de vraag of er niet alleen voorzichtige lijnen getrokken kunnen worden in individuele oeuvres, maar ook tussen de oeuvres zelf. Het is een vraag die de samenstellers van de bundel in hun inleiding wel stellen, maar niet echt beantwoorden.

Wat doen ze in die inleiding wel? Vooral een aantal zaken constateren aangaande het 21e-eeuwse ‘poëzieveld’. Om te beginnen begeven millenniumdichters zich met hun poëzie veel meer dan vroeger in de publieke ruimte. Poëzie is een sociale activiteit geworden in poëzieweken, op gedichtendagen, op allerlei soorten podia, op allerlei soorten websites, op Facebook, bij eenzame uitvaarten, bij gelegenheden waarop een stadsdichter moet komen opdraven. De dichters sluiten verder aan bij een ‘multimediale ervaringscultuur’: ze treden op met musici en dansers, treden sowieso graag op, mixen interteksten uit de hoge en de lage cultuur, mixen hun teksten met video’s en ander beeldend werk, laten voor iedereen zichtbaar hun werk ontstaan op internet. Het lyrisch subject is in millenniumpoëzie nog steeds het uitgangspunt, maar het subject is diffuus en gefragmenteerd. Het wil zich onttrekken aan de heersende retoriek en een ‘tegengeluid’ laten horen, maar dat niet alleen: “Het is dus niet zozeer het ontbreken van harmonie (tussen ik en de ander, tussen mens en natuur) dat hier centraal staat. Dat een en ander niet rijmt, daar is de poëzie van de 21e eeuw grotendeels voorbij. Wat er te maken valt van het ongerijmde, dat is de vraag.”

Daarmee worden, als ik het goed zie, kenmerken van het poëzieveld tot op grote hoogte gehanteerd als een verklaringsgrond voor kenmerken van de poëzie zelf. Die poëzie vinden de inleiders van Dichters van het nieuwe millennium vooral heterogeen. De heterogeniteit brengen ze in verband met de grote verscheidenheid die de sociale interactie kan aannemen, met de mogelijke variaties in multimedialiteit en met de op alle mogelijke gebieden heersende retoriek waartegen de dichters een ‘tegengeluid’ willen laten horen. Het is de heterogeniteit die in de 24 hoofdstukken die op de inleiding volgen, wordt beklemtoond. Voorafgaand aan de bespreking van het eigenlijke werk komt er meestal eerst een korte biografische schets die ver kan teruggaan (Arubaanse moeder, geboorteplaats en -jaar onbekend, haar grootvader was een legendarische wonderdokter, geboren in stuitligging), daarna een overzicht van bundels en prijzen, vervolgens een reconstructie van het optreden in de publieke ruimte en de zelfpresentatie die men daarbij aanneemt en een overzicht van de multimediale connecties. Halverwege de twaalf bladzijden die aan een dichter gewijd worden, komt het werk zelf ter sprake en dan hebben we te maken met 24 uiteenlopende en unieke oeuvres.

Het laatste is ongetwijfeld het geval en past naadloos binnen een esthetische ideologie die drentelaars en sprinters over het poëzieveld sinds de romantiek gretig hebben aangehangen. Het roept de vraag op of er ook op een andere manier meer waar te nemen valt dan alleen maar heterogeniteit. Neem alleen al de sociale groep waartoe de auteurs van Dichters van het nieuwe millennium behoren: het zijn lezers met een academische achtergrond die, zoals elke lezer, niet anders kunnen lezen dan op basis van conventies. In een fraai hoofdstuk in het boek dat als de voorloper van Dichters van het nieuwe millennium beschouwd kan worden, Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen van Vaessens en Joosten, worden de conventies van de geschoolde lezer geanalyseerd: de lezer die op de middelbare school heeft leren genieten van een goed gedicht. De 24 auteurs van Dichters van het nieuwe millennium hebben nog iets meer schoolgegaan. Ze zijn niet alleen slimme analytici van gebeurtenissen in het veld, maar ook lezers. Inzicht in de verwachtingspatronen waarmee zij nieuwe poëzie benaderen, geeft misschien meer inzicht in wat kenmerkend is voor die poëzie zelf.

Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre (red.), Dichters van het nieuwe millennium; Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw, Nijmegen 2016.

Thomas Vaessens en Jos Joosten, Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen, Nijmegen 2003.

Wordt vervolgd.

 

 

Dit bericht is geplaatst in column, gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.