Erasmus in Weerts dialect


056ErasmusRabus1697Door Ton Harmsen

Mijn wekelijkse column in Neerlandistiek.nl werpt vruchten af. Ik krijg opmerkingen van lezers over mijn data en mijn digitale edities, suggesties voor onderwerpen en complete teksten om te publiceren. Deze week stuurde Michiel de Vaan, aan de lezers van Neerlandistiek.nl welbekend, mij een bijzondere Erasmusvertaling toe, in een Nederlands dialect. Ik schreef hier al twee keer over Nederlandse Erasmusvertalingen. Mijn lijst van die vertalingen omvat ruim 500 uitgaven. De Lof der Zotheid is de kampioen, maar de enorme populariteit daarvan is van de laatste honderd jaar: daarvoor hebben de Colloquia altijd vóórgelegen. Eén daarvan staat dus pas sinds deze week in mijn lijst: de Weertse vertaling van het colloquium ‘Conjugium sive Uxor mempsigamos’, de vrouw die over haar huwelijk klaagt. Het is een gesprek tussen twee vriendinnen, Xantippe en Eulalia. Xantippe klaagt, scheldt en dreigt, terwijl Eulalia met psychologische middelen en verstandige raad naar oplossingen voor Xantippe’s huwelijksproblemen zoekt. Aan dat opvallende onderwerp dankte deze dialoog zijn reputatie. Er zijn veel vertalingen van gemaakt. Meestal in de complete Colloquia, maar ook apart. Niet zo lang geleden maakte De Zolderpers in Vught  er onder de titel Xanthippes beklag een bibliofiele uitgave van (2004).

De standpunten die Erasmus naar voren brengt zijn zeker voor zijn tijd heel bijzonder. Hij snijdt een herkenbaar probleem aan: als vrouwen hun huwelijkskeuze maken op grond van het uiterlijk van een man is er grote kans dat het mis gaat, en dat het huwelijk ontaardt in gescheld en handgemeen. Zulke huwelijksproblemen kunnen worden opgelost door beleid en toegeeflijkheid. In Erasmus’ tijd was dat een heel progressief idee. Hoe komisch Erasmus daarmee omgaat blijkt uit het volgende fragment, in de vertaling van Jeanine De Landtsheer:

Eulalia. Wie alleen naar een mooi lichaam kijkt, kiest met haar ogen; wie goed nagaat wat over hem wordt verteld, die kiest met haar oren.
Xantippe. Een goede raad, maar te laat!
Eulalia. Een poging om je man te verbeteren komt nooit te laat. Als je je man een kind geeft, kan dat veel helpen.
Xantippe. Dat is er al.
Eulalia. Sinds wanneer?
Xantippe. Al een tijdje.
Eulalia. Hoeveel maanden?
Xantippe. Bijna zeven.
Eulalia. Wat hoor ik daar? Kom jij ook weer aan met dat grapje van een foetus van drie maanden?
Xantippe. Helemaal niet.
Eulalia. Dat moet wel, als je de tijd berekent sinds je huwelijksdag.
Xantippe. O, maar ook vóór we trouwden had ik al wel contact met hem.
Eulalia. Komen kinderen er dan door te praten?
Xantippe. Toen hij me toevallig alleen aantrof, begon hij te spelen: hij kietelde me onder mijn oksels en in mijn zij om me aan het lachen te maken. Ik kon dat gekietel niet meer hebben en viel achterover op het bed; hij boog zich over me, bedolf me onder de kussen; ik weet niet goed meer wat hij daarna deed. Maar ik wel dat enkele dagen later mijn buikje begon te zwellen.
Eulalia. Jij bent een mooie! Scheld jij maar op een man die spelend kinderen verwekt! Wat zal hij doen als hij er echt werk van maakt? (In de reeks Erasmusvertalingen van Athenaeum – Polak & Van Gennep: Desiderius Erasmus, Gesprekken – Colloquia, vertaald en toegelicht door Jeanine de Landtsheer, 2001, p. 144-145)

Uit deze letterlijke vertaling blijkt hoe levendig de tekst door Erasmus is opgesteld: een dialoog van bijna twintig pagina’s die je in één adem uitleest. Het is een van de late colloquia (Erasmus heeft zijn boek jarenlang laten groeien), uit de jaren twintig van de zestiende eeuw toen in Nederland de rederijkers nog teksten maakten vol gekunstelde stijlfiguren, rijmen en gallicismen. Erasmus’ Latijn is fris en helder. Dat was ook zijn bedoeling, want de Colloquia zijn gemaakt om jonge leerlingen levendig Latijn te leren spreken. Soms ontaardt zo’n colloquium in theologische spitsvondigheden, maar hier weet Erasmus eenvoudige menselijke irritaties en tekortkomingen te treffen die na vijfhonderd jaar nog heel herkenbaar zijn. Een ideale tekst voor een gymnasium!

De Weertse vertaling beperkt zich tot de eerste pagina’s van de dialoog. Dat we de tekst nog kennen is te danken aan C.Ph. Serrure, die geen mededelingen deed over waar en in welke vorm hij het colloquium in handen kreeg, maar het toestuurde aan een collega in Duitsland. Daar verscheen de tekst in 1836, al bijna twee eeuwen geleden. Voor niet-Limburgers is de tekst niet gemakkelijk te begrijpen, en omdat hij nogal vrij vertaald is biedt het Latijn of een letterlijke vertaling daarvan ook niet alle steun. Daarom heeft Michiel de Vaan een vertaling in modern Nederlands toegevoegd. In het Weerts klinkt het zo:

Eulalia. het es tog zoo, of jèe hoog springt of leeg, het kan tog neet angers ziin, veug dig dan.
Santip. ig kan heum neet verangeren.
Eulalia. het mot de vrouw net eins ziin.
Santip. wii maekst doe het met-ter diine, geist doa alles good?
Eulalia. ja, alwiil geeg het good.
Santip. oh dan heeg het auch altiid need good gegange.
Eulalia. ja auch just neet kwoad, mar alle beginsels ziin meuelik, men moot zig wete te veuge, doa d-een hand d-ander wast, sind-se met ein schoon.
Santip. da-s regt.
Eulalia. het gebeurt auch deks, ded s’al reusing hebben eer-se zig tegooi kenne, doa moot men op passen, want doa het water ens steet, kumt het dekker stoan, het besten es, het met stilligheid weg te lei’en.
Santip. meer sek ins, wi hebs doe der diinen, noa diine zin gesteld?
Eulalia. ded zal ig dig segge, as doe het noakums.

Het ‘Conjugium’ werd al heel vroeg nagevolgd. De stove (1528) van Jan van den Dale is geen letterlijke vertaling, maar enkele passages in dit verhalend gedicht vertonen treffende overeenkomst met de tekst van Erasmus. Dat zou een bijzonder vroeg geval van Erasmusreceptie in het Nederlands zijn. Anderen houden zelfs vol dat Erasmus op grond van De stove zijn ‘Uxor mempsigamos’ gemaakt zou hebben. Waarschijnlijker is dat er een gemeenschapplijke bron is, bijvoorbeeld een schoolboek dat een inleiding tot de Moralia van Plutarchus was; maar dat is speculatie. Jan van den Dale is een rederijker van wie een klein oeuvre bewaard is gebleven. Zijn versie van het verhaal tussen de twee vrouwen is helemaal anders ingebed dan bij Erasmus: in een badhuis (een stove) hoort de auteur-verteller twee meisjes praten en dat gesprek geeft hij weer. De ongelukkige-in-haar-huwelijk spreekt:

.        Smijten ghespelene vrij niet so cloeck
.        Hij ha mij ghegrabbelt lest metten doeck
.        En wilde mij smijten ons costelic boel.
.        Maer terstont eer hijs cost doen versoec.
.        Tierende hem ghevende meneghen vloeck.
.        So greep ic eenen drijpickelstoel
.        Doen hij dat sach, so viel hij coel
.        Want ha hij mij te smijten gheweest so dom
.        Ick sou hem verset hebben sinen doel.
.        Hij souder af hebben ghehadt ghevoel.
.        Ende een weke gheclaecht sijn leden som
.        En seyt hij mij een woort, ic en ben niet stom
.        Maer ick seggher hem seven wel ghemeten.
.        Die hem een scaep maect, de wolf sallen eten (vs. 141-154)

Overeenkomsten met Erasmus zijn er in dit gedeelte zeker, in de volgende strofe wordt net als in de ‘Uxor mempsigamos’ een spinrokken als wapen genoemd; maar de verschillen zijn veel groter en de humanistisch-verzoenende gedachte van Erasmus ontbreekt geheel en al bij Jan van Dale. Diens veertienregelige strofen van vierheffingenverzen met slechts vier rijmwoorden staan ook dichter bij de middeleeuwen dan bij de renaissancepoëzie.

De versie van Zacharias Heyns is wel een letterlijke vertaling. Zij verscheen in 1592 in Haarlem bij Gillis Rooman in een tweetalige uitgave, Frans en Nederlands, bedoeld als lesmateriaal voor scholieren. Heyns heeft een avontuurlijk leven gehad: hij was een uit Antwerpen gevluchte drukkersleerling, een van de oprichters van de Brabantse rederijkerskamer ‘Het Wit Lavendel’ in Amsterdam, waarvoor hij enkele toneelstukken schreef. Later vestigde hij zich boekuitgever in de Hanzestad Zwolle. Zijn vader, Peeter Heyns, was een schoolmeester (eerst in Antwerpen en na 1585 in Haarlem) die Frans doceerde; de Franse vertaling van Erasmus’ ‘Conjugium’ die op de rectozijden naast de Nederlandse is afgedrukt, zou heel goed van zijn hand kunnen zijn. Deze Peeter Heyns liet zich door deze Erasmusvertaling inspireren tot het schrijven van een komedie: Le miroir des mesnageres. Comedie treshonneste, representant la difference d’une bonne & mauvaise mesnagere. Dat spel werd in 1595 gedrukt in Haarlem, door Gillis Roman (in dit geval Gilles Romain), voor Zacharias Heyns in Amsterdam. Peeter Heyns maakt het verhaal gecompliceerder dan Erasmus: ook bij hem treden een tevreden en een ontevreden vrouw op, twee zusjes die Susanne en Nemra heten. Hij maakt er een toneelstuk van door de goede vrouw met een slechte man getrouwd te laten zijn, en andersom. En om het nog ingewikkelder te maken: de aardige man wordt door zijn vrouw uitgebuit en vernederd, de aardige vrouw brengt alle geduld op om haar man op het rechte pad te helpen. En dan overkomt natuurlijk de slechteriken een vreselijk ongeluk: Nemra verliest bij een scheepsramp haar man en al haar bezit. Radeloos laat ze zich door haar zuster tot inkeer te brengen. Met allerlei allegorische personages (Benevolence, Loy de Nature) is het een ouderwets toneelstuk, maar het lijkt me evident dat hij het idee ontleent aan de ‘Uxor Mempsigamos’ die zijn zoon drie jaar daarvoor vertaalde met het oog op het onderwijs in het Frans.

Erasmus’ dialoog is veel minder gecompliceerd, maar in de vertaling van Zacharias Heyns minstens zo levendig als een toneelstukje:

Xantippe. Dan hierentusschen en is desen goeden man soo vreck ende karich teghen zijner vrouwen, heel onnuttelijck verdoende ende ombrengende ons erffenisse, ick meyne de morgen-gave ende houwelijcx-goet, d’welck hy van my ruymelijck ghehadt heeft.
Eulalia. Ende waer mede doch?
Xantippe. Daert hem mede lust: met droncken drincken, hoer-iagen, ende dobbelen.
Eulalia. Och en seght dat nemmermeer.
Xantippe. Ten is niet anders: Daer na spade in der nacht als ick al langhe op hem ghewacht hebbe, soo comt hy versmoort droncken weder t’huys, ronckt ende snorckt den gantschen nacht over, legghende somtijts een calf in’t bedde, op dat ick niet erghers en segghe.
Eulalia. Stil, stil, als ghy uwen man onteert, soo beschaemdy u selven. Want men seyt ghemeynelijck: Die zijnen neuse afsnijdt, schent zijns selfs aensicht.
Xantippe. Ramp moet ick hebben, had ick niet liever by een vercken te ligghen, dan by sulck eenen man.
Eulalia. Heet ghy hem dan niet willecome met vloecken ende schelden?
Xantippe. Effen ghelijck hy waerdich is: Hy wort wel ghewaer, dat ick niet stom en ben.
Eulalia. Wat doet hy dan daer toe? Xantippe. Hy tiert met den eersten met luyer kelen op my, meynende my te vervaren ende te ontsetten met zijn schrickelijcke woorden. Eulalia. Is het kijven noyt tot den vuysten ghecomen?
Xantippe. Alleen eenmael was den twist soo ontsteken, dat het niet vele en schouw om tot den camp te comen.
Eulalia. Y, wat hoor ick?
Xantippe. Hy hadde eenen stock gheheven met groot ghebulder ende ghevloeck.
Eulalia. Waerdy doen niet wel vervaert?
Xantippe. Sonder sorghe, ick greep weder eenen dryvoet-stoel: hadde hy my slechs met eenen vingher aengheroert, ick soude hem wel wijs ghemaeckt hebben, dat mijn handen niet ghebonden en waren.
Eulalia. Dat is eenen scherm-schilt van nieuwer maniere: Naemdy oock niet eenen spinrock in stede van een spiesse?
Xantippe. Hy soude wel bevonden hebben, dat hy met een manninne te doen hadde.
Eulalia. Och mijn lieve Xantippe, men moeter soo niet mede toegaen.
Xantippe. Hoe toegaen? hout hy my voor zijn vrouwe niet, ick en sal hem oock voor gheenen man houden. [fol. A4v, A5v, A6v]

In zijn brief van 30 maart 1527 aan Nicolaus Varius schrijft Erasmus: ‘Het is geen probleem dat mensen verschillende talen spreken, als ze maar eensgezind zijn.’ Zelf vertaalde hij veel uit het Grieks. Hij werd vooral beroemd met zijn vertaling van het Nieuwe Testament en talrijke kerkvaders. Aan de ontwikkeling van de Europese letterkunde leverde hij een grote bijdrage door twee tragedies van Euripides te vertalen (Hecuba en Iphigeneia in Aulis), en samen met Thomas More vertaalde hij werken van Lucianus, vooral diens satirische dialogen. Dat paste in een systeem dat in de renaissance alom werd toegepast: vertalingen dienen om zich in te leven in de stijl van bewonderde voorgangers. Zijn Lucianusvertalingen inspireerden Erasmus zowel bij het schrijven van de Lof der Zotheid als bij de Colloquia. Lucianus’ levendige beschrijvingen en satirische opmerkingen waren precies wat hij nodig had voor zijn literaire werk. De bijbel en Lucianus zijn de Griekse pijlers waar Erasmus zichzelf op gebouwd heeft.

Verbreiding van zijn werk door vertalingen in de volkstalen is dus helemaal in zijn geest. Dat er nu ook een in Limburgse streektaal voorhanden is betekent evenveel voor de bestudering van de receptie van Erasmus in Nederland als voor de dialectologie.

De vertalingen zijn te lezen via de Erasmuspagina op de site van de opleiding Nederlands in Leiden:
De stove (1528) door Jan van den Dale
Erasmus’ ‘Uxor mempsigamos’ door Zacharias Heyns en door Dirck Pietersz Pers
En de vertaling in het Weerts, uitgegeven en terugvertaald door Michiel de Vaan

Dit bericht is geplaatst in letterkunde, websites met de tags , , , , . Bookmark de permalink.