Mission accomplished (of: hoe een spatie een vreemde taal binnenlaat)?

Door Marc Kregting

Sinds mijn verhuizing naar België snap ik beter dat taal identiteiten kan maken en breken. Die werkelijkheid strekt verder dan periodiek gebakkelei over Nederlands versus Frans, of over Standaardnederlands versus Verkavelingsvlaams. Misschien word ik uitsluitend omgeven door prinsessen-op-de-erwt, maar ik heb bedaarde mensen geëmotioneerd zien raken over één luttel woordje, binnen hechte families ontvlamden ruzies wanneer zich tussen aperitief en voorgerecht naar aanleiding van een anekdote een taaldetail aandiende.

In mijn geboorteland Nederland heerst ter zake een pragmatische instelling, dacht ik altijd. Bijvoorbeeld voor het Frans volstonden wat handgebaren en koppige herhaling, en wist voor de finetuning Gruppo Sportivo in de jaren zeventig al raad: ‘I’ll buy a dictionary / and look up what you said to me’. Maar inmiddels is een woord als finetuning niet onomstreden tegenover ‘fijnregeling’ en begint het, alsof Engels de enige invloed is, onderhevig te raken aan sociale verschillen en modes.

Of die twisten Hoekse en Kabeljauwse waarden zullen bereiken is me onduidelijk, maar ik beschouw het als een begin van rechtvaardigheid dat ook in Nederland de gemoederen hoog oplopen over taal. Moet Engels al aangeleerd worden op de lagere school? Is Cambridge-Engels echt nodig op de middelbare school? Dienen universiteiten het algemeen belang wanneer zelfs bij Nederlandse letterkunde teksten in de huidige lingua franca omgezet worden?

Ik zwijg nog over stemmen die opgaan om, decennia na de even schrijnende als gestage ineenstorting van het Esperanto, het Engels als voertaal in de hele wereld aan te nemen. Wel vraag ik me af wat laaglandse kinderen ervan weten, voor mijn part geïnternaliseerd hebben, nadat ze de banken van de kleuterschool hebben verlaten ten gunste van het echte stampwerk.

Niets in het onbewuste van een kleuter protesteert uiteraard tegen de combinatie ‘gaan voor’. Zo’n beetje iedereen gebruikt haar. Een minderheid doet dat ironisch, en een enkeling jeremieert over het verband tussen go for it en een neoliberaal ethos. Bij een instemmend bedoelde term ‘yes’, waarbij de slotletter lankmoedig tussen de tanden blijft sudderen, valt de oorspronkelijke taal nog eenvoudiger te achterhalen, maar een ouder moet wel heel draconisch zijn die aan een kind te verbieden.

Alleen al het televisieaanbod is immers zo groot, en strekt zich verder uit over het internet (een medium dat veeleer ouderen verlamt), dat kinderen, hoe onmachtig ook om de ondertitels te lezen, domweg niet aan Engels kunnen ontkomen. En terwijl hun ouders vanaf de kleutertijd de sport beoefenden om met een stalen gezicht onbegrijpelijke Engelstalige songs mee te lispelen, is deze markt inmiddels aangeboord door een niche met Nederlandstalige muziek op maat, inclusief flietertjes Engels.

Die annexatiepogingen zijn uit volle borst mee te zingen. Instructief lijkt me het refrein van dit K3-nummer:

1 klein kusje en de tijd bleef staan
2 grote ogen lieten mij niet meer gaan
3 mooie woorden en je sprak me aan
met ‘I love you baby’

De tekstschrijvers achten dit scenario wel te arcadisch voor de leeftijd. Er mag nog verder worden gespeeld, getuige de punchline ‘Set me free, stop in the name of love’. Dat daarmee twee volwassen liedjes in herinnering worden geroepen, van The Kinks en van The Supremes, gaat vermoedelijk over de hoofden van kinderconsumenten heen. Hun liefdesbetovering wordt hoe dan ook verbroken met nog meer vreemde taal. Vooralsnog bevat die in het Nederlands geen staande uitdrukkingen, zoals iets oudere, maar nog geen tienjarige kinderen kunnen bezigen: ‘Come on’ dat in België bijna rimpelloos voortvloeit uit ‘Komaan’.

 

Ik vermoed dat kleuters van het Engels een soort basisdoenerigheid meekrijgen, vanwege woorden die willen worden ingeruild voor complexloze daden. Dat vermoeden ontstond mede na lezing van een kinderboekje uit 2006, dat mijn dochter uit een bak in de kringloopwinkel had gevist: Diego redt een manenwolfje. Het is een spin-off uit de inmiddels wereldwijd bekende reeks Dora the Explorer.

Deze reeks ambieerde de taalachterstand bij Spaanstalige immigrantjes in de Verenigde Staten te verkleinen voordat ze naar school gaan. Behalve de landstaal zit in elke aflevering wat Engels. In het onderhavige boekje zijn er twee uitdrukkingen: ‘Let’s go!’ en ‘Mission accomplished’. Ze worden ter plekke vertaald als ‘Kom op, we gaan!’ en ‘Redding volbracht’. Behalve daadkracht stralen ze doelmatigheid, nut en controleerbaarheid uit – het is niet moeilijk er een neoliberaal paradigma in te stoppen en uit te halen.

Technisch zijn aan deze uitgave uit de serie Go, Diego, Go! nogal wat omzettingen te pas gekomen. Eerst is het script van de televisie bewerkt (door ene Christine Ricci), vervolgens is die Engelse tekst vertaald (door de ervaren Renate Poper). De omzetting blijkt al uit de titel. Oorspronkelijk heette de aflevering Diego’s Wolf Pup Rescue. Dat bekt aardig en heeft vooral een toegankelijke aanblik.

Doordat Poper ervoor koos de dierensoort ‘manenwolf’ exact te benoemen, is er recht gedaan aan het karakter van het project. Het indiaans-Mexicaanse meisje Dora en haar neefje Diego struinen daarin door de plaatselijke flora en fauna, en bedoeld dier leeft exclusief in Zuid-Amerika (Brazilië, Paraguay, Argentinië, Peru, Bolivia en sporadisch in Uruguay). In overwegend Spaanstalige landen dus.

De ‘wolf’ uit de Engelstalige titel mag een aanpassing aan de markt heten. Technisch doordat hij éénlettergrepig is en dus toegankelijk, inhoudelijk doordat hij behoort tot een groep dieren die bij ontiegelijk veel kleuters vertrouwd zijn. Raar vind ik te beseffen dat onder dat bonte gezelschap zowel in het Nederlands als in het Engels veel meer éénlettergrepigs schuilgaat: hond, kat, vos (bij Dora een tegenstander met de naam Swiper), eend, paard, aap (bij Dora zelfs een kompaan, onder de naam Boots), schaap, koe, geit, vis,…

Uiteraard is ‘manenwolf’ maar een soortnaam, die pas tot leven komt bij nadere informatie. En die geeft de Nederlandstalige uitgave op de slotbladzijde, met weetjes onder de titel Wist je dat…. Ook heet het ‘manenwolfje’ uit de titel in de lopende tekst ‘babymanenwolf’. De titel is dus evengoed een aanpassing geweest: daar telt hij een lettergreep minder.

 

Mijn aandacht voor lettergrepen wordt gestuurd door twee trends die ik meen waar te nemen en die elkaar volgens mij bestrijden. De eerste is de neiging bij spellingshervormingen om woorden nog langer te maken (eropuit, halfuur, evenzoveel) en door bij samenstellingen hooguit één koppelteken voor te schrijven. De tweede trend lijkt me de neiging bij het schrijven in de praktijk woorden steeds meer door middel van spaties in stukken te hakken. Zoals in het Engels, waar de maned wolf rondloopt. Het protest in Nederland tegen het oprukken van die taal richtte zich dan ook niet tegen stonecoal English, maar tegen stone coal English.

De ‘babymanenwolf’ in de Nederlandstalige bewerking is allicht ooit ‘baby manenwolf’ of ‘baby-manenwolf’ geweest en kan ongecorrigeerd tegenwoordig best opduiken als ‘baby manen wolf’. De kekke spellingsfunctionaris in Word geeft bij het ‘manenwolfje’ uit Renate Popers titel al de alternatieven: ‘manen wolfje’, ‘manenwolf je’, ‘manenwolf e’.

Ik heb al eens bericht hoe extra spaties mij hinderen een bepaald product te kopen bij een winkel in mijn woonplaats, maar bij een hele boel studenten is die verhakte spelling mij de afgelopen jaren opgevallen. Een verklaring voor die extra taalruimtes kan liggen in het aanbrengen van een basaal overzicht bij snelle berichtjes die per sms, twitter en facebook die wereld in gezonden worden en waarbij grammaticaal onmogelijk naar volledigheid kan worden gestreefd. Spaties vervangen bijvoorbeeld persoonsvormen, die een eerste orde aanbrachten tussen subject en object. Er dient zich nu dus een eerstewoordbeeldhulp aan. Kleinere lettereenheden vergemakkelijken bovendien de uitspraak.

Wat dat betreft is Diego redt een manenwolfje hopeloos achterhaald. In de wetenschap dat het voor de allerjongsten bedoeld is, werkt het slechts op de lachspieren dat Diego een ‘zakcomputer’ heeft, gebruikmaakt van een ‘wetenschapslab’ en zijn ploeg met nicht Dora (en hun gepersonifieerde uitrustingen Reddingtas en Rugzak) pertinent voorstelt als ‘Wij zijn het dierenreddingsteam’. Overigens is dat dan weer actief in het ‘Dierenopvangcentrum’.

De meest hilarische frase voor de lezer die ik ben, komt echter uit de mond van een rivierotter die net door Diego en Dora uit een draaikolk is gehaald: ‘Fijn dat je me hebt gered’ (‘Thanks for saving me’?). Ook het antwoord mag er zijn: ‘Dit is ons werk’ (‘This is our job’?).

In deze wereld geldt voorbehoud noch vooronderstelling. Er zijn slechts doeners aan het woord, die met hun plichtsgetrouwheid geld verdienen. Dat verklaart ook een metafysisch voornemen als dit: ‘Tijd voor redding’. Hier regeert louter de volbrenging.

Ik weet niet, uiteindelijk lijken het me Amerikaanse toestanden. Zij schemeren door een betrekkelijk voornaamwoord wanneer dit verwijst naar Diego’s ‘nichtje Dora dat achter hem naar beneden glijdt’. Het griezelig naturel klinkende ‘dat’ –  ‘that’ versus ‘die’ – maakt het meisje, ondanks haar nieuwsgierige aard, een beetje willoos, een prooi.

Vertaalster Renate Poper heeft die toestanden verder aardig tegen weten te houden, door geen spaties te accepteren in samenstellingen. Tegelijk volgt ze daarmee de actuele laaglandse regelgeving, waardoor een ‘rubbervlot’ (‘rubber raft’?) er allerminst veilig uitziet en in ruwe wateren uit balans zal raken.

Maar daarmee openen zich onpeilbare diepten, bij iedereen die een missie heeft. John Jansen van Galen memoreerde onlangs in De gouden jaren van het linkse levensgevoel. Het verhaal van Vrij Nederland de paranoia die deze redactie besloop, toen haar, vermoedelijk door een spijtoptant, op oer-Hollandse wijze de maat werd genomen in anonieme, getypte brieven – ze verwekten vooral een conspiratieve stemming door het ontbreken van een spatie na een leesteken.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , , , , . Bookmark de permalink.