Bleke bekkies tegenover de man uit de jungle

Door Marc van Oostendorp

d92869c0851bcb869917bf2e9c35f062Dat taalkundigen niet weten wat literatuur is, bleek wel weer uit hun reacties, de afgelopen weken, op het nieuwe boek van Tom Wolfe, The Kingdom of Speech. In ieder geval op mijn Facebook-pagina gonst het al een tijdje van de schandes! van mijn vrienden. Wat gingen we nu weer krijgen!

Wolfe, de bekende Amerikaanse literator en journalist, schreef op 85-jarige leeftijd een boek dat niet alleen gaat over taal, maar vooral ook over taalwetenschap.

Het verhaal is fascinerend, zij het een beetje cliché-matig. Er bestaan twee groepen geleerden. Aan de ene kant hebben we lieden die de hele dag op hun kamer allerlei onzinnige theorieën zitten uit te denken, die nooit de straat op gaan, en die daardoor genoeg tijd over hebben om slinkse politieke spelletjes te spelen en die zo dus met hun bleke bekkies alle macht naar zich toe trekken. Aan de andere kant zijn er stoere mannen die er niet voor terugdeinzen om de echte werkelijkheid in te trekken om uit te zoeken hoe het nu eigenlijk allemaal écht zit. Die laatste worden voortdurend tegengewerkt door de mad scientists die uit zijn op wereldheerschappij. Maar uiteindelijk overwint natuurlijk het goede.

Dat hele buitenland

Het is een spannend verhaal en Wolfe heeft een prettige stijl. Je kunt het boek zo verfilmen. Dus waarom zijn mijn collega’s zo in rep en roer?

Dat heeft alles te maken met het feit dat Wolfe voor zijn boek bestaande namen gebruikt. De leider van de wereldvreemden, altijd maar opgesloten op zijn kamertje op het Massachusetts Institute of Technology heet Noam Chomsky. Zijn roodbebaarde antagonist, de man die de jungle introk om daar een taal te ontdekken die niet voldeed aan Chomsky’s universalia, is Dan Everett. Ook allerlei andere personages hebben de namen gekregen van bestaande personen.

Waarom je je daarover druk moet maken, weet ik niet. Er verschijnen zo veel romans waarin allerlei personages voorkomen die bestaande namen dragen. Eerder dit jaar verscheen bijvoorbeeld Laurent Binets roman La 7me fonction du langage waarin personages optreden die Roland Barthes, Michel Foucault en John Searle heten. Er komt zelfs een personage in voor dat Noam Chomsky heet. Dé bewering van het boek is dat Roman Jakobson in zijn beroemde theorie een zevende functie verduisterd heeft: taal kan de werkelijkheid ook veranderen. In een slappe vorm is die theorie later als taalhandelingstheorie naar boven gekomen, maar die houdt nog steeds geen rekening met magie, of met fictie.

Het verhaal van Kingdom of Speech is zo absurd dat het iedere lezer duidelijk moet zijn dat het met de werkelijkheid weinig te maken heeft, al is het maar omdat het doet alsof er buiten Amerika slechts één buitenland bestaat, Brazilië, omdat daar de data vandaan komen; geleerden wonen er in dat hele buitenland niet..

Controverse

Chomsky breekt als vroege twintiger ineens door in de taalkunde met zijn ingewikkelde wiskundige symbolen. Vanaf dat moment lopen álle taalkundigen vijftig jaar kritiekloos achter hem aan. Nooit valt er enig onvertogen woord, iedereen gaat braaf op zoek naar de door hem gepostuleerde Universele Grammatica en laat zich niet ontmoedigen door het feit dat deze in geen velden of wegen te bekennen is. Dan, in 2002, ontdekt Chomsky ineens een geheel nieuw verschijnsel: de recursie. Ook nu klinkt vanuit alle slecht verlichte kamertjes waarin de taalgeleerden huizen weer een en al instemming, maar één man komt op het idee om met gevaar voor eigen leven naar het Amazone-gebied te trekken en komt dan terug met een taal zonder recursie, het Piraha. Spot, hoon, minachting, scheldpartijen, uitsluiting – dit alles wordt zijn deel, maar hij geeft niet op. Tot hij uiteindelijk een boek publiceert dat een groot verkoopsucces wordt en waardoor ineens allerlei andere personen naar voren komen die nu ook gaan beweren dat die universele grammatica helemaal niet bestaat.

Het is vooral een verhaal vol glamour. Dat er altijd al heel veel taalkundigen zijn geweest die heel kritisch waren op Chomsky doet er in dit boek net zo min toe als het feit dat Dan Everett in de huidige sociologie van het vak helemaal niet de meest vooraanstaande figuur is. Laat staan dat er altijd zeer veel taalkundigen zijn geweest die zich bezig hebben gehouden met zaken die helemaal los staan van de hier beschreven controverse.

Boos

Al die taalkundigen doen er niet toe, voor Tom Wolfe, omdat ze niet beroemd zijn. Iedereen in Amerika weet wie Noam Chomsky is, en Everett schreef een (terecht) populair boek over zijn wederwaardigheden in het Amazone-gebied, Don’t sleep, there are snakes. Zij zijn beroemd in het publieke domein en dus wordt een geschiedenis op zijn Tom Wolfes aan hun namen opgehangen. Die geschiedenis wordt bovendien behoorlijk geromantiseerd en een bepaalde kant opgeduwd. Het is bijvoorbeeld een beetje lastig dat de man die als studeerkamergeleerde moet worden neergezet een paar keer in de cel heeft gezeten vanwege zijn politieke activiteiten; dus worden die activiteiten enigszins belachelijk gemaakt.

Het levert een amusant boek op dat je in een paar uur uithebt. De reden waarom taalkundigen zo boos worden is doordat ze denken dat al die namen een claim inhouden op de werkelijkheid. Dat er de hele tijd romans verschijnen waarin mensen bestaande namen dragen, en dat inmiddels niemand daar nog boos over wordt, zien ze over het hoofd.

Naïeve lezer

De kwestie wordt, toegegeven, wel enigszins gecompliceerd doordat Wolfe ook een soort parodie geeft van de inhoud van de discussie. Iedereen met enige algemene ontwikkeling weet natuurlijk dat het onzin is om te beweren dat Chomsky in 2002 de recursie ‘ontdekte’, want dat is een wiskundig begrip dat al heel lang bestond, en dat het van toepassing kan zijn op (onder andere) menselijke taal wordt al heel lang beweerd.

Wel is het waar dat Chomsky de laatste 15 jaar probeert te laten zien dat (zoiets als) recursie inderdaad cruciaal is en misschien wel hét onderscheidende kenmerk, zij het niet van menselijke talen als het Engels en het Piraha, maar van het menselijke taalvermogen. Het is dus niet een bewering over talen, maar over mensen. In een in dit boek afgedrukte e-mail van (vermoedelijk de echte) Chomsky wordt dat ook uitgelegd; het betekent dat de discussie over het Piraha wel interessant is (waarom zouden mensen besluiten geen gebruik te maken van recursie), maar niet zo scherp als een naïeve lezer van Wolfe zou kunnen denken.

Potsierlijke theorie

De taalkundigen verwarren de schone letteren daarom met wetenschappelijke publicaties, maar ze zien hiermee over het hoofd dat ze hier te maken hebben met een satirische roman, waarin de auteur ook zichzelf niet spaart als hij tot slot zijn eigen volkomen potsierlijke theorie over taal uiteenzet.

Volgens Wolfe is taal door de mensen bedacht als een soort verzameling ezelsbruggetjes. Als je het woord table hoort, denk je aan een tafel, en zo kun je dus bijvoorbeeld allerlei meubelstukken goed onthouden. Dat is de kern van de taal. Om de een of andere reden denken taalkundigen dat lezers zoiets serieus nemen en daardoor een verwrongen beeld krijgen van de taalwetenschap. Mij lijkt dat iemand die The Kingdom of Speech heeft gelezen vast weleens wil weten hoe het nu eigenlijk zit.

Een deel van Wolfes boek verscheen als artikel in het Amerikaanse tijdschrift Harper’s.
Tom Wolfe. The Kingdom of Speech. Hachette Book Group, 2016. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

13 reacties op Bleke bekkies tegenover de man uit de jungle

  1. floorjongenelen schreef:

    In ‘De zevende functie van taal’ van Binet komen ook allerlei beroemde mensen voor (o.a. Jacques Derrida) die zich als volstrekte idioten gedragen. Is er sprake van een literair genre?

  2. Peter-Arno Coppen schreef:

    Ik kijk wel eens naar het televisieprogramma Blik op de weg (of hoe heet dat tegenwoordig). Het interessante daarin is dat het voice-overcommentaar bijna altijd ironisch is. “De bestuurder van de blauwe Volvo houdt er een sportieve rijstijl op na” (de man rijdt op dat moment 180 op een provinciale weg). Of “Zonder autogordel is het natuurlijk veel fijner rijden,” “Die dubbele streep geldt uiteraard niet voor ervaren chauffeurs.”

    Ik wéét dat het ironie is, maar als ik me probeer voor te stellen dat er mensen zijn die dit niet opmerken (ik hoor uit het onderwijs dat er leerlingen zijn die hier geen gevoel voor hebben), dan krijg ik daar toch een ongemakkelijk gevoel bij.

    Ik betwijfel dus dat dit zo absurd is dat niemand het helemaal niet serieus neemt (“Er zit toch een kern van waarheid in”). Ik ben het met je eens dat je hier als taalkundige beter niet verontwaardigd op kunt reageren, want dan maak je het alleen maar erger. Je kunt denk ik beter wat aandikken dat je de ironie herkent en in een gulle lach uitbarsten.

    • Al heel lang laat veel fictie zien dat het eigenlijk onmogelijk is om een ‘juist’ beeld van de werkelijkheid te krijgen, en dat je dus in zekere zin geen enkel historisch verhaal ‘serieus’ moet nemen. Er zit natuurlijk een kern van waarheid in Wolfe’s verhaal, en er zijn ook allerlei zaken die iedereen zal bevestigen (er staat bijvoorbeeld een e-mail van Chomsky in die vast ook echt door Noam Chomsky is getikt).

      Dat gezegd zijnde, lijkt Wolfes boek me niet geschikt om een goed beeld te krijgen van ofwel de wetenschapsgeschiedenis ofwel de taalwetenschap. Daarvoor is het teveel een op zichzelf staand verhaal, dat weinig aansluiting heeft bij de rest van de literatuur. Dat lijkt mij eigenlijk het cruciale verschil tussen (wetenschappelijke) geschiedsschrijving en ee verhaal: dat de eerste is ingebed in een veel groter en hopelijk consistent verhaal, en de tweede op zichzelf staat. In dat opzicht moet je Wolfe’s boek dus lezen als een verhaal en niet als bijdrage aan de geschiedenis.

  3. Olaf K. schreef:

    Ik weet dat je een literair werk als een op zichzelf staande identiteit moet beschouwen, en dat wat de auteur bedoeld heeft uiteindelijk irrelevant is (want die gaat toch dood), maar dat Wolfe in interviews n.a.v. dit boek de stompzinnigste dingen zegt over taal, evolutie en de mensen die daar grote bijdrages aan geleverd hebben, helpt niet echt bij het “ontdekken” van ironie in dit boek, lijkt me. (Niet dat ik het gelezen heb overigens.)

    • Voor de duidelijkheid: ik denk niet dat het boek ironisch is, in ieder geval niet op de manier die P.A. beschrijft bij ‘Blik op de weg’. Interviews van Wolfe heb ik niet gezien of gehoord – wel veel recensies – en ik sluit niet uit dat de schrijver zelf denkt dat zijn ideeën over taal serieuze bijdragen zijn aan ons inzicht in de materie. Dat lijkt mij nogal buiten de orde, maar het is ook geen reden om er vreselijk opgewonden over te raken. Ik zou het boek overigens niet lezen, maar gewoon wachten op de film! (Matt Damon als de stem van Dan Everett, Jack Nicholson als die van Chomsky, de beelden zijn geanimeerd.)

  4. Marten schreef:

    Jerry A. Coyne zegt in de Washington Post: “But every part of this story is wrong.” Vreemde mening inderdaad over een roman, ik vraag me af wat deze man zou vinden van een boek als The Plot Against America, of the Man in the High Castle…

    Hoe dan ook, de commentaren onder het stuk zijn, zoals zo vaak bij dit soort affaires, geweldig leesmateriaal. Zie:
    https://www.washingtonpost.com/opinions/his-white-suit-unsullied-by-research-tom-wolfe-tries-to-take-down-charles-darwin/2016/08/31/8ee6d4ee-4936-11e6-90a8-fb84201e0645_story.html?utm_term=.f7acd632ad3a#comments

    • Een verschil met de door jou genoemde boeken is natuurlijk wel dat Kingdom of Speech minder duidelijk als roman wordt gepresenteerd. Ik heb hier alleen de elektronische versie, zonder flaptekst, maar het woord ‘novel’ verschijnt geloof ik nergens.

      Overigens heeft ook Philip Roth in zijn lange carrière heel wat problemen gehad met het feit dat hij bestaande namen (zoals Philip Roth) gebruikte voor zijn personages terwijl wat hij vertelde in de ogen van mensen die dachten hetzelfde te hebben meegemaakt (ex-vrouwen en zo) helemaal niet klopte.

    • Lucas Seuren schreef:

      Ik begrijp uit die review dat de reviewer van de WP het boek niet leest als een satirische roman zoals Marc hier beschrijft, maar dat Wolfe bloedserieus is en daadwerkelijk probeert zijn ideeën over taal en evolutie te propaganderen.

      Dat lijkt me een vrij cruciaal onderscheid en blijkbaar geen onderscheid dat evident is voor de lezer.

      • Ik had geloof ik niet bedacht dat het een satirische roman was, maar zo zou je het ook denk ik best kunnen lezen. (Satire op het wetenschappelijke bedrijf, waar het allemaal draait om het charisma van bepaalde nerds en niet om de waarheid.) Ik dacht eigenlijk meer aan een avonturenroman.

        Geheel los van de inhoud van Wolfes boek is het natuurlijk heel zorgelijk als men de ideeën van een schrijver (wie dan ook) over ‘taal en evolutie’ ineens als dé waarheid zou gaan beschouwen.

  5. John Wervenbos schreef:

    Interessante boekbespreking over een boeiend onderwerp. Als ik het goed begrijp bestempelt Wolfe in zijn boek niet alleen Chomsky’s universele grammatica, maar ook Darwins evolutietheorie als een mythe. Welk verband bestaat er tussen beide theorieën en welke relatie legt Wolfe tussen beide in zijn boekwerk? In een video naar Youtube ge-upload door ‘CBS this morning’ komt Wolfe over als een man die graag prikt, kietelt, provoceert. Zijn overstap als schrijver van non-fictie naar fictie werk op late leeftijd is ook wel interessant. Internetadres youtube filmpje: https://www.youtube.com/watch?v=cfg0pGly-LM

    • Bij mijn weten schrijft Wolfe al heel lang fictie (Bonfire of the vanities); hij lijkt me verder inderdaad iemand die de controverse niet schuwt.

      Ik geloof niet dat hij de evolutietheorie bestempelt als een mythe, maar hij zegt wel dat het vaag en onwetenschappelijk is, en vooral beweert hij dat (i) het grote succes van de menselijke soort voortkomt uit taal, en (ii) dat taal niet geëvolueerd is, maar uitgevonden. Op dat laatste punt verschilt hij dus van Darwin, en hij beweert dat dit komt doordat Darwin in zijn werk over de mens te kort door de bocht ging. Bovendien zet hij de controverse tussen Chomsky en Everett in dit licht, waar hij de eerste neerzet als een aanhanger van de gedachte dat taal biologisch is en dus geëvolueerd. Dat is het verband tussen beide delen van het boek.

Reacties zijn gesloten.