Het estafettestokje van de Carthaagse spelen

Door Ton Harmsen

044Estafette‘Eindelijk! De Lairesse’: Rijksmuseum Twenthe bereidt onder die titel een overzichtstentoonstelling over Gerard de Lairesse voor. Daar zullen ongetwijfeld de zes gravures te zien zijn die hij in 1668 maakte voor de toneelstukken Didoos doot en Julfus van Andries Pels. Aan elk bedrijf gaat een toepasselijke gravure vooraf van deze kunstschilder en graveur uit Luik die zich in 1665 in Amsterdam vestigde. Hij ontwierp het vignet van Nil Volentibus Arduum, het kunstgenootschap had een tijd lang zijn bijeenkomsten in Lairesses atelier. Later maakte hij naam met de colleges die hij tegen betaling aan huis gaf; de dictaten daarvan leidden tot het handboek van de classicistische schilderkunst, het Groot schilderboek (1707). Toen hij de zes gravures voor het werk van Pels maakte was hij al een gevierd kunstenaar.

De gravures tonen drie scènes uit Didoos doot en drie uit Julfus. Bij de klucht staan spreekwoorden in het Latijn en het Nederlands, de onderschriften bij het treurspel beschrijven de afbeelding in Nederlandse disticha.

Het onderschrift van de gravure voor het eerste bedrijf luidt:

.        Verbode en Dartle Min ontvluchte nooit zyn straf.
.        De Woede en Wanhoop rukt hem voor de tyt in ’t graf.

Onder de tweede staat:

.        Dus maalt de schrik ’t geheim op Annaas eerbre kaken.
.        Geen veinzen kan in noot opreghte min verzaken.

en onder de derde:

.        Dus deerlyk sneuvelde Kartagoos koningin.
.        Men schrikke, en wachte zich voor d’ongebonde min.

Sterker dan in het spel zelf zien we in deze verzen een aankondiging van het Frans-classicisme: grote nadruk op de hartstochten (liefde, woede, wanhoop, geveinsdheid, deernis, schrik) en welvoeglijkheid (afkeer van ‘verboden, dartele en ongebonden min’). Hier werpen de grote thema’s van Nil Volentibus Arduum hun schaduw vooruit.

François Snellinx plaatst in zijn lofdicht op Didoos doot de beide spelen van Pels in een literaire traditie:

.        Veel’ Grieken willen dat de treurrólle af zal speelen
.        In vijf bedrijven, en in eenen zonneschijn:
.        Maar Rinthon, meede een Griek, nam niet dan drie bedrijven,
.        En vlydde tusschen elk een boertigh byspel in. (vs. 3-6)

‘Rinthon’, of Rhintho, is een Griekse toneelauteur, werkzaam in de vierde eeuw voor Christus; geboren in Syracuse trok hij later naar Taranto, de luxueuze Griekse stad in de hak van Italië. Over deze auteur zijn we slecht ingelicht: de bronnen over hem zijn zo summier dat er geen goed beeld uit samen te stellen is. Gerardus Johannes Vossius vat alle feiten en theoriën over de ‘fabula rhinthonica’ samen in zijn Poeticarum institutionum libri tres (II, 21): van de 38 stukken is maar een enkel fragment bewaard gebleven en wat Rhintho bijzonder maakt is dat hij ernstige stof komisch behandelt. Vossius vergelijkt zijn manier van schrijven met die van Plautus in de Amphitruo: het amoureuze avontuur van de oppergod (Jupiter) wordt afgezet tegen de domheid en de lafheid van een knecht (Sosia) en de verwarring en schaamte van zijn heer (Amphitruo).

Volgens François Snellinx is er iets anders aan de hand: het gaat niet om ernstige stof in een komische omgeving, maar om een afwisseling van ernstige en komische verhalen. Rhintho zou tussen de drie bedrijven van zijn tragedie twee kluchten hebben ingevlochten. Bij gebrek aan vaststaande feiten kan Snellinx zijn fantasie de vrije loop laten, en wat hij beschrijft is inderdaad vergelijkbaar met wat Pels doet met zijn combinatie van het treurspel Didoos doot en de klucht (Pels noemt het ten onrechte een blijspel)  Julfus. Zoals Pels in de opdracht van Julfus aan de jonge drost van Muiden, Nicolaes van Vlooswyck, schrijft:

Om dat al wat nieuw schijnt, veelen het brein kittelt en de ooren streelt, hebbe ik een Treurspel, Didoos doot genaamt, misschien d’eerste alhier, in dry deelen gedeelt, en gemengt met een Blyspel van de zelve verdeeling, genaamt Julfus.

De vraag is nu of en hoe de drie bedrijven van Julfus samenhangen met die van Didoos doot. Als een regisseur liever De krollende Ritzaart van Molenhof als tussenspel wil gebruiken, ook een klucht in drie bedrijven, zou dat wat uitmaken? Zijn er tekstuele aanwijzingen dat Julfus samenhangt met Didoos doot? Zeker wel. Er blijkt zelfs een hechte schakeling te zijn, en wel door middel van de drie spreekwoorden.

De slotwoorden van elk van de drie bedrijven van Didoos doot bevatten een spreekwoord. Bij het eerste bedrijf:

Dido. ’k Bedenk een vond; ga strax naar huis, en wachtme daar
.        Terwijl ik binnen ga, en maak met zuster klaar
.        Wat noodig is. verraat gy my zoo door de logen,
.        Eneas? Ach! die licht gelooft, wort licht bedrogen. (vs. 453-456)

Anna zegt tot slot van het tweede bedrijf tegen Serestus:

.        Denk om de liefde, en niet om ’t geen gy hebt geleên
.        Door mijn oploopentheid. Want lieven mogen kijven;
.       
Maar is hun liefde oprecht, zoo moeten ’t lieven blijven. (vs. 1150-1152)

En als Dido dood is en haar zuster Anna door Juno gelukkig met Serestus is verbonden, concludeert de voedster Barce:

.        O wonderlijke keer van ’s waerelts loop! de druk
.        Van d’eene mensch teelt vaak des anderen geluk.
(vs. 1688-1689)

Deze drie spreekwoorden structureren Julfus. De algemene wijsheden die de morele conclusie zijn van de bedrijven van de tragedie, vormen het thema van de corresponderende actes uit de klucht. Ze staan als motto boven de bedrijven, en als onderschrift bij de voorstellingen van De Lairesse waarin de spreekwoorden hun kluchtige toepassing krijgen. Dit is een gouden greep: de tragische verwikkelingen krijgen meer reliëf door hun pendant in een komische situatie. Het is een groot verschil of Julfus bedrogen wordt of Dido. Medelijden maakt plaats voor leedvermaak; met die contrasterende combinatie scherpt Pels de les des te beter in bij zijn publiek. Voor het publiek in de zaal klinkt het aan het eind van ieder bedrijf; de lezer krijgt het twee maal extra: als onderschrift bij de gravure en in de titel van het bedrijf. De tekst, op de gravures in het Latijn en in het Nederlands, wordt daar herhaald met een aanduiding van de bron van het spreekwoord.

Boven het eerste bedrijf van Julfus staat:

.        Op ’t spreekwoort: Die licht gelooft, wort licht bedrogen.
.        Qui facile credit, facile decipitur.    πολυθρύλλητον.
.        Te vertoonen achter het eerste bedrijf van Didoos doot.

Pels geeft ‘πολυθρύλλητον’ als bron aan, wat op een misverstand berust, tenzij het als grap bedoeld is. In de Disticha Catonis geeft de commentator bij de sententia ‘nihil temere credideris’ (geloof niets zomaar) aan dat dit een wijze waarschuwing is, want ‘volgens de veelbesprokene’ (‘secundum πολυθρύλλητον’) laat iemand die gemakkelijk gelooft zich gemakkelijk bedriegen.

Boven het tweede bedrijf staat:

.        Op’t spreekwoort: Lieven mogen kyven,
.        Maar moeten lieven blyven.
.        Amantium ira amoris integratio est. Terent. Andriâ.
.        Te vertoonen achter het tweede Bedrijf van Didoos doot.

Dit spreekwoord gaat terug op Terentius’ Andria (III, iii, 23).

En boven het derde:

.        Op ’t spreekwoort: Des eenen druk ,, Des anderen geluk.
.        Unius corruptio, alterius generatio. Aristot. in Physicis.
.        Te vertoonen achter het derde bedrijf van Didoos doot.

Het motto uit Aristoteles’ Physica is uit zijn verband gerukt: Aristoteles heeft het over de veranderingen in de natuur (hoe wordt een kersenpit een kersenboom?) en hier gaat het om geluk ten koste van de rampspoed van een ander.

De klucht speelt op dezelfde dag als Didoos doot: de Trojanen maken zich op om te vertrekken. Julfus is een Trojaan, en hij moet dus mee. Maar hij is inmiddels getrouwd met een Carthaagse vrouw (Laïs), die hem niet kan missen. Zelf heeft hij genoeg van haar bedilzucht, dus hij zou maar al te graag vertrekken. Zijn kroegmaat, de Carthager Tiribus is geronseld maar ziet op tegen de zeereis; zijn vrouw ziet de dronkelap juist liever verdwijnen.

Verder heeft het spel weinig eenheid van handeling, het zijn eigenlijk drie kluchtige sketches, geschreven in het Carthaags, een Hollands boerendialect, in viervoetige jamben. Julfus moet bij Dido een kostbare wapenrok met een degen bezorgen, waarvoor hij bodeloon zal ontvangen. In het eerste bedrijf komt zijn vrouw Laïs er in een hilarische dialoog achter dat hij deze kostbaarheden onder zijn hoede heeft. Om hem die afhandig te maken vermommen zij en Julfus’ mede-alcoholist Tiribus zich als priesters van Bacchus, die hem copieuze feestmalen voorspiegelen:

Laïs. Och armen!                 Laïs verandert haar taal.
.       
Och lacy! altaid zoo de darmen
.        Te vullen! Tiri. Altijd bout of taert
.        Te moeten eten! Iulfus. Waerom baert
.        Dat volk zoo? en wat zijn ’t veur quanten?
Tiri. Och ’t is te veul! nouw twie fazanten
.        En flus een berghoen; ’t is gien uur
.        Geleên, och, och! het valt te zuur!
.        Och! at men hum doch iens te barsten!
.        Zoo was ’t verdriet edaen. Lais. Vier harsten,
.        Sesthien podraysen, vaif dozain
.        Gebraaie kiekens, een wilt swain,
.        Twee hinden, en dat in drai dagen,
.        Hoe kunnen ’t ellef liêns verdragen?
Iulfus. Och vriend, was Iulfus in die pijn.
Tiri. En elken uur drie pinten wijn
.        Te moeten zwelgen, dat moet stinken
.        Op ’t lest; maar konnewe ons verdrinken
.        Daer in; zoo waerenwe uit de noot.
Iulfus. Wensch liever, dat jou buik zoo groot
.        Wort, als een voedervat, jou zotten.
Laïs. Hoe? Bacchuspriesters te bespotten?
.        Dat heeft wat in. Tiri. Menheer is hoog
.        Van staat; wy zien het wel; ons oog
.        Bedriegt ons niet. maar ons te scheeren,
.        Dat ken men, wie ’t ook is, verleeren;
.        Al waer ’t de Vorst. Iulfus. Ik konje niet;
.        ’t Is uit onwetenhait eschiet;
.        Goê Paters, wilt het mijn vergeven.
Tiri. Menheer, dat woort behout jou leven. (vs. 271b-300)

Tijdens het inwijdingsritueel dat Julfus belust ondergaat, gaan ze er met zijn kostbare lading vandoor. Te snel geloofd, en dus bedrogen. Julfus komt tot net zo’n inzicht als Dido:

.        ’t Vertrouwen lokte mijn in ’t net.
.        Schijnhailighait het mijn bewogen.
.        Die licht gelooft, wort licht bedrogen. (vs. 518-520)

Daarmee kan de tragedie weer verder op het punt waar ze gebleven was. Tot ook het tweede bedrijf van Didoos doot eindigt met een spreekwoord dat de overgang maakt naar het tweede bedrijf van Julfus.

Hierin ruziën de beide echtparen, zowel Julfus en Laïs als Tiribus en Mizo kijven over huishoudgeld. Maar het vooruitzicht van de dreigende Trojaanse expeditie verbindt hen weer. ‘De Vrunden mogen kyven; Maar moeten Vrunden blyven’, ook het motto van Bredero’s Rodd’rick ende Alphonsus. De laatste woorden van dit bedrijf worden door de vrouwen gesproken:

.        Lais. Wie dorst hum deuze pais vermoên,
.        Niet waer? Mizo. Ja lieven meugen kyven,
.        Maar lieven moeten lieven blyven. (vs. 958-960)

Hetzelfde spreekwoord als aan het slot van het tweede bedrijf van Didoos doot, zij het met een volkse, komische toepassing. Zo wisselen tragische verwikkelingen en kluchtige scènes elkaar af. Bij de finish van de estafette oogsten de kluchtspelers het applaus. Laïs en Tiribus verkleden zich weer, maar nu onafhankelijk van elkaar; zij als beer en hij als sater. Het is kunstig opgebouwd: eerst spreekt Julfus met de ‘Echo’, en vervolgens beantwoorden de beer en de sater het lied dat hij zingt van twee kanten, wat hij opvat als een dubbele echo. De stemmen zijn tegenstrijdig, beiden hebben de bedoeling het bodeloon dat inmiddels weer in handen van Julfus is voor zichzelf te pakken te krijgen. De een zijn dood is de ander zijn brood, zouden we zeggen. Tiribus eindigt de klucht met het derde motto:

.        Tiri. Hier blijkt het spreekwoort waer, me vrinden;
.        Hoe dat den iene mensch zen druk
.        Hiel vaken maakt ien aârmans luk. (vs. 1490-1492)

Door middel van de spreekwoorden biedt Pels de stof steeds tweemaal in totaal verschillende milieus aan. Het spreekwoord op de titelpagina van Julfus speelt daarbij een overkoepelende rol:

.        Praevalet Librae sapientiae gutta fortunae.
.       
Gelukkige gekken behoeven geen wijsheit.

Dit is een karnavaleske omkering van het noodlotsthema in het verhaal van Aeneas en Dido. ‘Een druppel geluk is meer waard dan een pond wijsheid’ zou ook als ironisch motto kunnen dienen voor het treurspel: zonder geluk vaart niemand wel, het is niet mogelijk alles in het leven te beredeneren en te controleren. Met wat goede wil kan je de volkse Julfus opvatten als een tegenhanger van het verhaal van de koninklijke Dido en Aeneas: zij meenden naar hun eigen wil samen lang en gelukkig te kunnen leven, maar de beschikking van het lot, de wil van de goden maakt dat onmogelijk: Aeneas moet afscheid nemen om zich naar Latium te spoeden. Julfus kent ook zijn hoop en zijn ongeluk, maar bij hem heeft het noodlot menselijke proporties zodat het beter beheerst kan worden.

Pels heeft beide spelen dus muurvast verbonden: de klucht begint met het afsluitende spreekwoord van de tragedie; het treurspel pakt de draad weer op als de spreuk aan het eind van het kluchtbedrijf herhaald wordt. De onderschriften van de prenten en de titels van de bedrijven leggen nog extra nadruk op dit procédé. Het spreekwoord is het estafettestokje, en iedereen heeft het klemvast in de hand. Dat is het spel en zo moet het gespeeld worden.

De gravures van De Lairesse zijn opgenomen in de uitgave van beide spelen bij Ceneton op de site van de Opleiding Nederlands in Leiden:
www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/PelsDidoosDoot1668.html
www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/PelsJulfus1668.html

Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.