Ei, ei; ik maak u wel mijn compliment

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (83)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Dat J.J.L. ten Kate bekend zou komen staan als de ‘koning der kantate’ is een van de tragedies van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Hij was misschien niet de begaafdste dichter die ooit op de wereld rond heeft gelopen, maar hij had wel smaak, en hij begreep wat er gebeurde in de grote literaire wereld. Zo was hij in de hele barre eerste helft van de 19e eeuw zo’n beetje de enige die regelmatig een sonnet schreef.

En zo vertaalde Ten Kate enkele jaren na het verschijnen van Heines Buch der Lieder al enkele gedichten uit dat boek, voor zijn eigen tijdschrift Braga. Dat was een soort studentenblad en het meest tot de verbeelding van de jonge koning der sonnetten spraken dan ook gedichten uit de afdeling Junge Leiden:

Im nächtgen Traum hab ich mich selbst geschaut,
In schwarzem Galafrack und seidner Weste,
Manschetten an der Hand, als gings zum Feste,
Und vor mir stand mein Liebchen, süß und traut.

Ich beugte mich und sagte: »Sind Sie Braut?
Ei! ei! so gratulier ich, meine Beste!«
Doch fast die Kehle mir zusammenpreßte
Der langgezogne, vornehm kalte Laut.

Und bittre Tränen plötzlich sich ergossen
Aus Liebchens Augen, und in Tränenwogen
Ist mir das holde Bildnis fast zerflossen.

O süße Augen, fromme Liebessterne,
Obschon ihr mir im Wachen oft gelogen,
Und auch im Traum, glaub ich euch dennoch gerne!

De vertaling van Ten Kate is niet precies even krachtig als het origineel, maar je leert er wel van alles uit over Utrechtse studentenmodes uit de eerste helft van de negentiende eeuw:

‘k Zag in den droom mij zelf, in gala stekend,
In zwarten frac en zijden vest gepend,
Gekuifd, geboord, recht voor een bal berekend;
En voor mij stond mijn liefjen, wel bekend.

En ‘k boog me en zei: “Is uwé aangeteekend?
Ei, ei; ik maak u wel mijn compliment.”
Maar ‘t ijskoud woord, zoo doodelijk welsprekend,
Kneep mij de keel tezamen van ellend.

En zie, op eenmaal – bittre tranen vloden
Uit liefjens oogen, als zij nooit vergoten,
En ‘t zalig beeld smolt in den tranenstroom.

O zoete liefdesstarren, toovrende oogen,
Al hebt ge wakend mij zoo vaak bedrogen,
‘k Geloof u toch, zelfs heden in mijn droom.

Het zwarte rokkostuum en de zijden vest mochten blijven, maar de manchetten zijn verdwenen en in plaats daarvan zijn een kuif en een boord gekomen. Zo zagen Nederlandse studenten er rond 1830 inderdaad uit (dit zijn Leidenaren):

De_gedichten_van_den_Schoolmeester_-_Studenten_Soci_C3_ABteit_Minerva_-_1830
Ook, en misschien wel vooral, het uwee is interessant, als een soort ironisch-plechtige aanspreekvorm die meine Beste moet vertalen. In een 21e eeuws Nederlands zou je dat juist veel beter als m’n beste vertalen, want uwee zegt echt helemaal niemand meer.

Maar het mooiste aan de vertaling is nog wel dat Ten Kate er een kunststukje mee heeft uitgehaald dat aan het origineel ontbreekt, namelijk met het rijm. In het octaaf zijn er twee paren -ekend en –end, die voor het oog ook nog eens met elkaar rijmen. Dat geeft een komiek effect, dat in het sextet nog herhaald wordt omdat daar alle versregels met elkaar assoneren.

Het niveau van Piet Paaltjens haalde Ten Kate misschien niet; maar hij was er wel degelijk een voorganger van.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.