Schoolvak Nederlands: inhoud voorop of vaardigheden voorop?

Door Roland de Bonth

Tijdens de docentenconferentie op zaterdag 18 juni in Utrecht hadden de deelnemers de mogelijkheid zich van tevoren in te schrijven voor verschillende workshops, waaronder een met de titel Nederlands: inhoud voorop of vaardigheden voorop? Nadat gespreksleider Hanneke Gerits de regels van het socratisch debat – de werkvorm waarin de  workshop was gegoten – had  uiteengezet en de spreker een korte inleiding op het onderwerp had gegeven, ontstond een levendig debat onder de ruim 30 deelnemende docenten. Hieronder volgt zowel de tekst van de inleiding als een korte bespreking van enkele vragen waarbij tijdens deze workshop langer is stilgestaan.

Nederlands: inhoud voorop of vaardigheden voorop?

“De meeste leerlingen vinden Nederlands het saaiste vak op school’’ las ik in een interview met Theo Witte, vakdidacticus van de Rijksuniversiteit Groningen en een van de stuwende krachten achter het inmiddels welbekende Manifest Nederlands op school. Een ‘factcheck’ van een journalist van de Correspondent toonde aan dat op deze uitspraak wel het nodige valt af te dingen valt. Zo vinden meer leerlingen dat wiskunde behoort tot de drie minst leuke vakken en is het percentage leerlingen dat Frans, Duits, geschiedenis, aardrijkskunde, economie of Engels tot de minst leuke vakken rekent, vergelijkbaar. Toch kan het geen kwaad eens kritisch te kijken naar de vraag of het lesprogramma van Nederlands wel uitdagend genoeg is, of het schoolvak wel voldoende aansluit bij de maatschappelijke eisen voor taalvaardigheid en geletterdheid en of het vak Nederlands wel genoeg inhoud heeft.

In het Manifest wordt ervoor gepleit bij Nederlands niet alleen aandacht te schenken aan de correcte vorm (Hoe schrijf je grammaticaal correcte zinnen? Hoe spel je foutloos? ), maar ook aan het Nederlands ”als taalkundig fenomeen, als product en producent van cultuur in de context van andere culturen, als communicatiemiddel en als voertuig van het denken”. De opstellers van het manifest pleiten ervoor meer tijd in te ruimen voor de inhoud van het vak. Neem het veelbesproken onderdeel leesvaardigheid, dat 50 % procent van het eindcijfer van ons vak bepaalt. De vakinhoudelijke kennis die je nodig hebt om het centraal schriftelijk eindexamen te maken is met enige goede wil in een week of twee te leren: functies van tekstgedeeltes, signaalwoorden, soorten argumenten, tekstsoorten,  onderwerp en hoofdgedachte. Dat het steeds lastiger wordt om toetsen leesvaardigheid te maken, zit hem niet in de enorme toename van kennis – zoals bij de zaakvakken en veel bètavakken het geval is – maar in de lengte en de moeilijkheidsgraad van de door methode- en eindexamenmakers gekozen teksten.

Volgens de opstellers van het Manifest moeten kennis en vaardigheden binnen en tussen de domeinen beter geïntegreerd worden. In hun zienswijze heeft het schoolvak Nederlands zeker bestaansrecht, zeker wanneer er meer aandacht komt voor de kennisinhoud. Recente inzichten over literaire, digitale, informele en zakelijke taal zouden een prominentere plaats moeten krijgen in het curriculum.

Er zijn echter ook andere geluiden waarneembaar. Zo hoorde ik laatst een gewaardeerde sectiegenoot met een grote liefde voor literatuur stellen dat het schoolvak Nederlands vooral gezien moet worden als een dienend vak: het vak Nederlands brengt leerlingen bij hoe ze moeten lezen, spreken en schrijven, waarna de opgedane vaardigheden toegepast kunnen worden bij andere vakken.

Vanuit dit gezichtspunt is het nog maar een kleine stap naar het integreren van de moedertaal in andere vakken. In het kader van het Nieuwe Leren wordt daar al op verschillende plaatsen mee geëxperimenteerd. Zo is er een school in Vlaanderen waar het vak Nederlands wel als apart vak op het rooster staat maar waar aspecten ervan worden geïntegreerd in vakken als Frans en wiskunde. Een volgende stap is dat vakcollega’s Nederlands zich grotendeels in dienst stellen van andere vakken, zoals geschiedenis en economie. Zij geven leerlingen dan feedback over het taalgebruik – leesvaardigheid, woordenschat, schrijfvaardigheid – bij deze vakken. Daarnaast kan de opvatting worden gehuldigd dat Nederlands het terrein is van álle leraren. Op school werken leerlingen in domeinen groepsgewijs aan vakoverstijgende projecten. Het is zelfs mogelijk dat het vak Nederlands nagenoeg afgeschaft wordt. Leraren Nederlands zijn in dat geval eerder coaches dan vakleraren. Dit lijkt aan te sluiten bij het beeld dat wordt opgeroepen in het advies van Onderwijs 2032 om meer samenhang te creëren binnen de drie kennisdomeinen Mens & Maatschappij, Natuur & Technologie en Taal & Cultuur.

Welke kant moet het volgens ú op met het vak Nederlands? Moet inhoud of moeten vaardigheden centraal staan? Of moet het vak zelfs geheel verdwijnen?

Na deze korte inleiding waarin ik twee kanten van het vak Nederlands kort heb belicht – kennis en vaardigheden – kom ik tot de stelling die tijdens deze ronde van het socratisch debat richtinggevend zal zijn:

Bij Nederlands moet inhoud belangrijker zijn dan vaardigheden

Is de vraag naar inhoud of vaardigheden geen false dilemma, vroeg iemand zich af. Uit het socratisch gesprek dat op deze inleiding volgde, bleek dat de begrippen inhoud en vaardigheden niet zomaar van elkaar mochten worden gescheiden. Aan de ene kant zijn vaardigheden noodzakelijk om te komen tot het bestuderen van de inhoud, terwijl aan de andere kant inhoud werd gezien als iets wezenlijks voordat tot het aanleren van vaardigheden kan worden overgegaan.

Kan grammatica dienen om meer inhoud aan het vak te geven? De meesten zijn ervan overtuigd dat grammatica in traditionele zin weinig zinvol is, het is te veel theorie. Het doel van grammaticaonderwijs zou moeten zijn om interesse te wekken voor en te spreken over taal.  Het taalgevoel dient ontwikkeld te worden. Waarom kun je iets wel zus zeggen, maar niet zo? Bij het ontwikkelen daarvan zou creatief schrijven een significantere rol mogen vervullen.

Op de vraag welke rol de teksten in methodes Nederlands moeten spelen, werd uiteenlopend gedacht. Sommigen maakten hier dankbaar gebruik van omdat ze leerlingen van klas 1 tot aan het eindexamen gestructureerd leesvaardigheidsonderwijs onderwijzen. Anderen wilden juist actuelere teksten, toneelstukken of teksten waarin taalkunde centraal staat. Zo zou het vak Nederlands niet alleen bijdragen aan het uitbreiden van de (culturele) interesses van leerlingen, maar zou het vak ook aan status kunnen winnen.

Zou taalkunde onderwezen moeten worden aan alle leerlingen? In het debat wordt gewezen dat er een duidelijk verschil is tussen vwo-leerlingen enerzijds en leerlingen op havo en vmbo anderzijds. Vwo’ers worden voorbereid op een universitaire studie. Voor hen zijn zowel actuele teksten als teksten over bijvoorbeeld taalkunde geschikt. Taalkunde levert deze leerlingen kennis op over taal en taalverschijnselen en dat kan als nuttig worden ervaren. Havisten en vmbo-leerlingen daarentegen worden in principe klaargestoomd voor een beroepssituatie. Bij deze groep leerlingen – waarvoor geldt dat Nederlands lang niet altijd de moedertaal is – moet daarvoor ruimte ingelast worden, bijvoorbeeld door het oefenen van sollicitatiebrieven.

Hoe gaan andere landen om met het onderwijs in de moedertaal? Het is bekend dat in Engeland, Duitsland maar ook in België veel meer tijd wordt ingeruimd voor literatuur en minder voor leesvaardigheid op de wijze zoals die in Nederland in zwang is. Moet het traditionele leesvaardigheidsonderwijs wellicht geheel losgelaten worden? Ja, antwoordt iemand die daarmee geëxperimenteerd heeft en desondanks goede eindexamenresultaten heeft behaald.

Waarom wordt er niet meer samengewerkt met andere vakken? In het kader van taalbeleid zou het wenselijk zijn om bijvoorbeeld na te gaan hoe je vragen bij andere schoolvakken zou moeten lezen. Probleem is dat neerlandici de angst moeten overwinnen om samen te werken met andere vakken. Hier valt dus nog veel winst te behalen.

Binnen het tijdsbestek van een uur was het vanzelfsprekend niet mogelijk alle vragen die opgeroepen werden bevredigend te beantwoorden. Toch gaf de bijeenkomst een goed beeld van wat de deelnemers aan deze workshopronde bezighield. Tot slot volgen hieronder nog enkele vragen die  niet aan bod zijn gekomen, maar die zeker interessant zijn om met sectiegenoten of andere collega’s te bespreken, voordat de zomervakantie aanbreekt:

  • Hoeveel inhoud heb je nodig voor vaardigheden?
  • Heeft een vmbo-leerling meer aan vaardigheden?
  • Hoe stellen we het vervolgonderwijs tevreden als we inhoud vooropstellen?
  • Moet de literatuur van het vak Nederlands worden ondergebracht in een vak literatuur waar ook de letterkunde van andere talen (en culturen) aan bod kunnen komen (wereldliteratuur bij CKV, Geïntegreerd Literatuuronderwijs, literatuur als apart vak?
  • Heeft Nederlands voldoende bestaansrecht als zelfstandig vak?

Gebruikte websites:

Dit bericht is geplaatst in column, Neerlandistiek voor de klas met de tags , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Schoolvak Nederlands: inhoud voorop of vaardigheden voorop?

  1. Jeroen Clemens schreef:

    Definitie van geletterdheid moet worden uitgebreid om in de digitale wereld goed te kunnen functioneren. Zie blogs op mijn website. Ik ben leraar Nederlanfs en onderzoeker onlinegeletterdheid

Reacties zijn gesloten.