Jacob Cats als rechtbankverslaggever

Door Ton Harmsen

039SeneCats
Behalve haar proefschrift over funeraire poëzie schreef Sonja Witstein ook twaalf artikelen, die gebundeld zijn in Een wett-steen van de ieught. Die titel verwijst naar de woorden waarmee Huygens de professor omschrijft in zijn Zedeprinten; het is ook een verwijzing naar de Wetsteen der vernuften, wat een van Witsteins lievelingsboeken was. Over Jacob Cats was zij minder te spreken: te plat, te vlak, te saai; zijn eindeloze alexandrijnen stromen niet als een rivier maar ze kabbelen voort als een kaarsrecht kanaal. Eeuwenlang genoot hij een enorme populariteit met zijn hersenspoelende dreun, die de Nederlandse literatuur meer kwaad dan goed heeft gedaan. Ja, Barlaeus vertaalde grote delen van zijn Trou-ringh in het Latijn, maar die moest daar door Cats wel heel dringend om verzocht worden, en hij paste de tekst grondig aan naar zijn eigen smaak. De monotone catsiaanse alexandrijnen werden welluidende hexameters, en weg waren de dodelijke stoplappen en de anaforische zinnen.

Natuurlijk valt over Cats ook veel goeds te zeggen: hij was een briljant jurist, opgeklommen tot raadpensionaris (brave ja-knikker tegen Frederik Hendrik); hij kende de klassieke literatuur op zijn duimpje en beheerste – als jurist en als schrijver – de kneepjes van de retorica. Als hij dan ook nog blijkt een prachtig inkijkje te geven in de didactiek van de retorica, heeft hij het hart van Sonja Witstein helemaal gestolen.

En zo bevat haar wetsteen voor de jeugd een artikel over een verhaal uit de Trou-ringh (1637), het boek met vertellingen die allemaal verband houden met huwelijken en die Cats steeds afrondt met een dialoog tussen Sophroniscus (de wijze oude man) en Philogamus (de trouwlustige jongeling). Eén ervan heet ‘Twee verkracht en beyde getrouwt’, waarin een rechtszaak voorkomt die Cats deskundig behandelt. Sonja Witstein ontdekte dat Cats dit doet naar aanleiding van een van de Controversiae van Seneca: een reeks fictieve praktijkgevallen waarover juristen in opleiding in de Romeinse oudheid moesten discussiëren: de oefening bestond erin dat zij argumenten bedachten vóór of tegen een bepaalde stelling.

Dat Cats van deze juridische leerstof gebruik blijkt te maken in een literaire tekst was een doorbraak voor het neerlandistisch onderzoek: daarvoor keek men (afgezien van de stijlleer) in de retorica alleen naar de technieken van laudatio en deliberatio, nu stond ineens de judiciële retorica in de belangstelling. Dit leidde tot bestudering van de statusleer: naast de vraag ‘is iets waar of niet waar’ bleken ook de definitie van de zaak, de hoedanigheid ervan en de positie van de beoordelaar een rol te spelen. In ‘Menanders pleidooi’ past Witstein deze analyse toe op één van de drie redevoeringen uit ‘Twee verkracht en beyde getrouwt’, en met deze techniek in de hand kunnen we vervolgens de talloze andere redevoeringen in verhalen, toneelstukken, lofdichten en epen analyseren. Witsteins artikel heeft ons vak verrijkt met een hulpmiddel dat tot beter begrip leidt van de technische vaardigheid van zeventiende-eeuwse dichters, die immers veelal zijn grootgebracht met de theorie en de praktijk van de retorica.

Cats koos een gewaagde kwestie, die zich goed leent voor het verkennen van de mogelijkheden van het recht. Het verhaal draait om de toepassing van een gefingeerde wet: een aangerande vrouw staat voor de keuze, of het doodvonnis laten uitspreken over haar verkrachter, of met hem  trouwen. Witstein herkende deze casus in een oefenboek dat vanaf de oudheid tot in de renaissance in de retorica-opleiding gebruikt werd: de controversiae en suasoriae van Seneca Rhetor, vader van de filosoof en toneelschrijver. Controversiae zijn gevallen waarin de rechter zich voor of tegen een kwestie moet uitspreken (zoals hier: moet de aanrander getrouwd of onthoofd worden). De suasoriae bevatten een punt waarover een beslissing moet worden genomen (moet ik de loper op F5 slaan met mijn paard of met mijn toren?) De eerste suasoria van Seneca stelt de knopendoorhakker Alexander de Grote voor het probleem: ‘moet ik, nu ik het aardrijk veroverd heb, ook de oceaan veroveren?’

Cats baseert zijn verhaal over de schaker van twee meisjes op de controversia ‘Raptor duarum’, dat ook de titel is van Barlaeus’ vertaling. Net zoals Witstein herkende Barlaeus Seneca als bron. Cats formuleert de gefingeerde wet waar het om draait als volgt:

.        Men heefter vast gestelt, dat wie een dochter schende,
.        En tegen haren danck de jonge maeght bekende
.                Sou vallen door het sweert, of (soo de vrijster wou)
.                Moest haer voor eeuwigh zijn verbonden in de trou. (vs. 33-36)

Toch is een jonge man, Menander, zo roekeloos in één nacht zelfs twee vrouwen aan te randen. Hij wordt gearresteerd en voor een rechter geleid. Het verhaal bevat vervolgens drie redevoeringen: eerst spreekt Menander, dan Tryphose (in het zwart met een zwaard) die eist dat hij onthoofd wordt en tenslotte Iokaste (bruidsboeket in de hand) die met hem wil trouwen. De laatste krijgt haar zin. Hoe jammer het ook is, een onderbouwd vonnis krijgen we niet te horen: de argumentatie van het vonnis wordt in het verhaal niet gegeven:

.        Na langh en veel beraets, Tryphose wert gepresen,
.        Iokaste niet-te-min den vrijer toe-gewesen. (vs. 605-606)

Maar terug naar Menander. Zijn pleidooi begint als volgt:

.                Mijn heeren (is syn woort) siet hier een schuldigh man,
.                Die niet ontkennen wil, die niet versaken kan
.        Het droevigh ongeval van mijn onwijse jaren.
.        Eylaes! ick was te vroegh genegen om te paren.
.                Ick heb, en ick bekent, ick hebbe groote schult,
.                Maer efter mijn misdaet en is maer ongedult. (vs. 111-116)

Witstein analyseert hier dat hij onmiddellijk bekent – als je op heterdaad betrapt bent win je geen sympathie door je daad te ontkennen. Na deze ‘confessio criminis’ gaat hij over tot de ‘status finitionis’, dat wil zeggen hij stelt aan de orde hoe de zaak moet worden gedefinieerd. Hij zegt niet: ik geef toe dat ik twee vrouwen heb aangerand, hij zegt: ik kan het droevig ongeluk van mijn jeugdige onverstand niet ontkennen. Dat klinkt heel wat minder alarmerend dan wat in de aanklacht staat. Hij brengt zijn misdaad terug tot ongeduld: als hij bij haar vader langs was gegaan om de hand van de maagd te vragen (hij vermeldt natuurlijk niet dat hij bij twee vaders langs had moeten gaan) zou hij die toestemming zeker gekregen hebben: zijn familie en omstandigheden verschillen niet van die van zijn slachtoffers. Dat is een techniek die in de juridische retorica wordt voorgeschreven: de minutio (de zaak kleiner voorstellen dan hij is) op grond van de definitie ervan.

Vervolgens zet hij deze minutio door, hij vergelijkt de misdaad waar hij van beschuldigd wordt met andere misdaden die wel een grote straf verdienen:

.        Heb ick haer tegen danck een kus of twee gegeven,
.        Daer is geen moort geschiet, geen mensche doot gebleven,
.                Geen tempel, geen autaer en isser door ontwijt,
.                Ick heb maer wat te vroegh en wat te rau gevrijt.
.        De weelde van het lant, de jeught en hare vlagen
.        Die hebben met gewelt mijn sinnen wegh-gedragen, (vs 129-134)

En vervolgt dan, met een wel heel brutaal argument:

.                Mijn herte wech-geruckt, en even dese maeght
.                Die heeft mijn ydel oogh maer al te veel behaeght,
.        Die heeft tot dit bejagh niet weynigh voets gegeven,
.        Mijn sinnen wegh-geruckt, mijn lusten aen-gedreven,
.                Niet door een dertel oogh, dat geyle loncken schiet,
.                Neen, dat en is voor al in dese juffer niet.
.        Sy heeft een stil gelaet, een reyn, en deftigh wesen,
.        En daer is strenge tucht in haer gesicht te lesen;
.                En efter haer gelaet, dat noyt tot lust en streckt,
.                Dat heeft in mijn gemoet de lusten op-geweckt. (vs. 135-144)

De kuisheid van Tryphose heeft zijn lust aangewakkerd – je denkt bijna dat zij haar schending aan zichzelf te danken heeft:

.                Ist niet een selsaem dingh met ons aelweerdigh leven!
.                De deught heeft even-selfs tot ondeught my gedreven,
.        De stilheyt tot gewelt, de tucht tot vuyle lust,
.        En, siet, dus is de mensch gedurigh ongerust. (vs. 145-148)

Maar ook het andere meisje heeft hem verlokt, niet met haar kuise ernst maar met haar uitbundige vrolijkheid, die nota bene door iedereen geprezen wordt:

.        Iokaste wederom heeft door een vrolick wesen,
.        Heeft door haer soeten aert, van yder hoogh gepresen,
.                Heeft door een geestigh oogh mijn geest alsoo verruckt,
.                Dat ick, geheel vervoert, haer blomtjen heb gepluckt. (vs. 149-152)

Dat erkent hij! Maar hij voegt daar meteen aan toe dat er erger dingen op de wereld zijn:

.        Is dit soo grooten quaet? besiet ons eyge goden,
.        Sy doen het altemael dat schijnt te zijn verboden;
.                Niet eene van den hoop die niet syn geyle lust,
.                Door list of door gewelt ten lesten heeft geblust. (vs. 153-156)

En dan komt een reeks mythologische gevallen, waarin Mars en Jupiter overspelig zijn geweest en daarvoor nooit gestraft maar hooguit uitgelachen zijn.

Toch kan hij er niet omheen aandacht te schenken aan het feit dat zijn wellust zich niet tot één meisje beperkt heeft. Dit doet hij door een refutatio, het onderdeel van de argumentatio waarin de spreker de bedenkingen van de tegenpartij weergeeft, natuurlijk met de bedoeling ze vervolgens te ontkrachten. Het komt erop neer dat hij zegt: u zult wel denken hoe kan hij dat met twee meisjes achter elkaar doen? Nou, daar ben ik wel achter gekomen: omdat ze allebei onweerstaanbaar zijn. Hij slaat hier twee vliegen in één klap: hij neemt de aanklager wind uit de zeilen en hij prijst zijn beide slachtoffers.

.        Waer siet men (roept het volck) dat yemants losse sinnen
.        Oyt aen-gedreyen zijn, om twee gelijck te minnen.
.                Of soo dat oyt gebeurt, het is uyt geyle lust,
.                Die niet als met het sweert en dient te zijn geblust.
.        Dit had ick oock gelooft; maer, siet, ick ben bedrogen,
.        My hebben twee gelijck tot hare min getogen.
.                Als ick Iokaste sie, mijn gansche ziele mint,
.                Als ick Tryphose sie, ick ben tot haer gesint.
.        Ick heb Tryphose lief, vermits haer wijse reden,
.        Ick heb Iokaste lief, vermits haer frissche leden.
.                Ick heb Iokaste lief, om haren soeten praet,
.                Ick heb Tryphose lief, vermits haer fier gelaet.
.        Ick heb Tryphose lief, vermits haer deftigh spreken,
.        Ick heb Iokaste lief, vermits haer soete treken.
.                Ick heb Tryphose lief, haer dient een deftigh man;
.                Ick heb Iokaste lief, vermits sy jocken kan. (vs. 181-196)

De anaforiek (ik heb I/T lief) is typisch catsiaans, soms bij Cats ook wel ergerlijk maar hier functioneel: ze zijn zo lief dat hij niet heeft kúnnen kiezen – wie zal hem dat kwalijk nemen? Menander sluit dan af met een argument dat het vervolg daarop is:

.                Brenght hier een rose-krans, of wel een vinnigh sweert;
.                Want, ’t zy ick leef of sterf, ghy zijt het beyde weert. (vs. 215-216)

Zeker zo interessant zijn de argumentaties van de beide slachtoffers. Vooral Tryphose (die de doodstraf eist) heeft een sterk punt: hij heeft eerst haar aangerand en toen de ander; en die ander pleit hem nu vrij. Hij zou daarmee in feite beloond worden voor zijn tweede aanranding. Zelfs als hij een moord had gepleegd en daarna Iokaste had aangerand, had zij geëist (op grond van de gefingeerde wet) dat zij met hem mocht trouwen, zodat hij de doodstraf zou ontgaan. Het argument waar Iokaste mee komt is wat eenvoudiger: zij doet een beroep op de clementie van de rechter, een huwelijk is beter dan een begrafenis. Maar wel effectief: zij krijgt tenslotte gelijk, al zal dat voor een groot deel te danken zijn aan het uitgekookte pleidooi van Menander. En Tryphose? Zij heeft zich zo parmantig verdedigd, dat zij haar eer terugverdiend heeft: een edelman onder het gehoor vraagt haar hand en zo eindigt het verhaal als een blijspel met twee huwelijken.

Als afsluiting geeft Cats (zoals gebruikelijk in de Trou-ringh) het woord aan Philogamus en Sophroniscus, die naar aanleiding van deze casus over een aantal ethische problemen discussiëren. Hoe moeten man en vrouw handelen na een verkrachting? De extreme standpunten zijn, de vrouw moet zelfmoord plegen, òf, men moet overgaan tot de orde van de dag. Beide standpunten zijn voor Cats niet houdbaar, en dat licht hij toe met argumenten en citaten uit de literatuur, vooral juridische handboeken, maar hij citeert ook de bijbel en de essays van Montaigne.

Op de website van de Opleiding Nederlands in Leiden staat de tekst die in ‘Menanders pleidooi’ geanalyseerd wordt te lezen. Voor het gemak (want het is een lange tekst) zijn de drie redevoeringen met een kleur gemarkeerd. De wereldliteratuur, van de Ilias tot de Gysbreght, zit vol met argumenterende redevoeringen. De analyse-methode van Sonja Witstein is een instrument om de techniek van de sprekers te analyseren en te beoordelen.

Het artikel van S.F. Witstein is te vinden in de DBNL:
http://www.dbnl.org/tekst/wits007mena01_01/wits007mena01_01_0001.php
en de tekst van het verhaal uit de Trou-ringh op de site van de Opleiding Nederlands in Leiden:
http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Renaissance/CatsMenander1637.html

Dit bericht is geplaatst in geen categorie, letterkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.