Toevallig op Petrus Datheen stuiten

Door Marc van Oostendorp

Mike KestemontWijlen Louis Peter Grijp was begrijpelijkerwijze trots toen er voor zijn dood een nieuw instituut werd ingericht – de Louis Peter Grijp-lezing, jaarlijks te houden rond 10 mei, de verjaardag van het Wilhelmus als Nederlands volkslied.

Hij was ook trots op de eerste spreker, de aanstormende Antwerpse literatuurwetenschapper Mike Kestemont. Gisteren liet Kestemont zien dat die trots volkomen gerechtvaardigd was: hij gaf een briljante, lezing, een onverwacht spannend verhaal over een op het eerste gezicht wat saai onderwerp: met de computer onderzoeken of Marnix van St. Aldegonde nu echt de auteur was van het Wilhelmus.

Sommige kranten (het Reformatorisch Dagblad bijvoorbeeld) brachten gisteren als nieuws dat Petrus Datheen misschien wel de auteur was van het Wilhelmus. Maar daar ging de lezing helemaal niet over!

Serendipity

Kestemont liet weliswaar met flair zien dat Datheen ten onrechte ontbrak in de lange lijst met kandidaat-auteurs, en hij gaf een aantal prikkelende redenen om eens verder in deze tot nu toe genegeerde richting te zoeken, maar hij wekte niet eens de indruk nu per se te boek te willen staan als de ontdekker van de ware auteur.

Eigenlijk wilde Kestemont geloof ik in zijn lezing illustreren wat hij op zijn website beschrijft als:

Computational analyses have the advantage that they induce serendipity in textual analysis: a computer makes us aware of things that the eye of the human reader tends to skip.

Functiewoordjes

Kestemont ging op een volkomen iconoclastische manier om met zijn methode. In eerste instantie leek de lezing een gewoon pleidooi voor digitale geesteswetenschappen te zijn: je neemt gedigitaliseerde teksten van allerlei zestiende-eeuwse dichters die ooit genoemd zijn als kandidaat-auteur en vergelijkt die met elkaar op een soort tekstuele vingerafdruk – de frequentie van functiewoordjes als het en van. Auteurs hebben namelijk de neiging om heel consistent te zijn in die frequentie en bovendien op dit punt van elkaar te verschillen.

Uit deze methode bleek dat je iedere keer als je een andere dichter vergeleek met Marnix, de laatste steeds de meest waarschijnlijke auteur van de Wilhelmus bleek te zijn.

Stilistisch

Maar toen kwam het. Omdat er nog wel wat bezwaren aan de methode zitten besloot Kestermont een modernere techniek in te zetten. Daarvoor was het nodig om nog meer verschillende auteurs met elkaar te vergelijken, en daarom gooide hij er wat onwaarschijnlijke anderen bij, als een soort controlegroep. Zoals Petrus Datheen.

En toen gebeurde het: Datheen bleek ineens stilistisch nog veel meer overeenkomsten te hebben met het Wilhelmus dan alle dichters die ooit genoemd waren. Inclusief Marnix.

Chartres

Strikt genomen was het experiment daarmee mislukt, maar Kestermont bleek briljant genoeg om zich niets van de strenge methodologie aan te trekken. Zijn digitale middelen bleken hem op een volkomen onverwacht spoor te zetten, dat hij vervolgens met wat traditionelere literatuurhistorische middelen uitwerkte.

Hij liet zien dat er nog wel wat andere argumenten zijn om Datheen serieus te nemen: hij was op het juiste moment zeer intiem met de Oranjes, terwijl hij een paar jaar later om religieuze redenen juist gebrouilleerd raakte, wat de voortdurende anonimiteit van het gedicht kan verklaren. Bovendien bevond hij zich in Chartres in het jaar dat daar het lied ontstond waarvan de melodie gebruikt zou worden voor ons latere volkslied.

Lachend

Verder liet hij zien dat A. Maljaars in zijn proefschrift twintig jaar geleden al kort opperde dat Datheen misschien wel de auteur was, maar deze hypothese snel verwierp, in essentie omdat de zestiende-eeuwer altijd als zo’n belabberd dichter werd beschouwd. (Zijn psalmvertalingen werden in de 18e eeuw het voorwerp van spot en hoon.) Alsof een slechte dichter niet één meesterwerk kan maken!

Of dit alles nu betekent dat Datheen inderdaad het Wilhelmus heeft gedicht, is niet zeker en ook eigenlijk niet zo interessant. Het interessantst leek mij Kestemonts boodschap: dat je heel ver kunt komen door computationele middelen te gebruiken en die op het juiste moment lachend weer terzijde te schuiven.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Toevallig op Petrus Datheen stuiten

  1. Maria van Daalen schreef:

    Beste mijnheer Oostendorp, het Wilhelmus is helaas volstrekt geen “meesterwerk”, het is een raar rijmelarijtje van iemand die ook nog eens een raar melodietje uitkoos en zich toen genoodzaakt zag om hele korte zinnetjes te brouwen. Dat het van Dathenus kan zijn, is een geniale vondst, temeer vanwege de treurige literaire kwaliteit.
    Wij mensen verwarren emotionele oprispingen bij het zien of horen van iets graag met artistieke kwaliteit, en vergeten dan dat die emoties aan het oorzaakje verbonden raakten door gebeurtenissen die niets hebben uit te staan met die kwaliteit. Zo is WO II altijd goed voor tranen op 4 mei bij, jawel, het Wilhelmus. Datheen heb ik trouwens vroeger weleens gehoord in de kerk – lang geleden.
    Met vriendelijke groet,
    Maria van Daalen
    info@mariavandaalen.com
    http://www.mariavandaalen.com

Reacties zijn gesloten.