Paffenrode’s treurspel over Willem van Arkel

Door Ton Harmsen

Veldslagen, belegeringen van steden en strooptochten van legers: de literatuur staat er vol mee. Het beleg van Maastricht van 1673 (de stad is vaker ingenomen) is op minstens twee plaatsen terug te vinden in de literatuurgeschiedenis. Op 24 juni 1673 sneuvelde daar de graaf van Artagnan, die eeuwig voortleeft in De drie musketiers van Alexandre Dumas. Franse troepen namen daarna de stad met grof geweld in. Het standbeeld van d’Artagnan is een literaire bedevaartplaats voor toeristen uit de hele wereld. Eén dag eerder sneuvelde aan de andere zijde jonkheer Joan van Paffenrode – misschien als laatste geveld door een musketkogel van d’Artagnan. Ook hij neemt een voorname plaats in in de literatuurgeschiedenis, maar omdat hij geen standbeeld heeft kan hij helaas niets betekenen voor de Maastrichtse horeca. De vernieuwde belangstelling voor zeventiende-eeuws toneel zal hier wellicht verandering in brengen.

Paffenrode werd in 1618 in Gorcum geboren als zoon van jonkheer Jacob van Paffenrode, de lokale drost, en Wilhelmina van Arkel, die uit een oud adellijk geslacht stamde. Hij zette zijn titel ‘Vrijheer van Gussigny’ luister bij door carrière te maken in het leger: hij nam deel aan veldtochten van Frederik Hendrik, en legde de eed van kapitein af; in 1652 werd hij benoemd tot commandeur van het garnizoen van Arkel, en hij eindigde (letterlijk) zijn loopbaan als commandant van een regiment. Maar hij is vooral beroemd gebleven als letterkundige: alle literatuurgeschiedenissen behandelen zijn werk. De drie toneelstukken van Paffenrode zijn compleet uitgegeven bij Ceneton op de site van Opleiding Nederlands in Leiden. Het gaat om één treurspel en twee kluchten (hij spreekt van een ‘boertige comoedie’), die allebei tamelijk plat maar zeker geestig zijn. Paffenrode kende uitstekend Latijn en Grieks: hij maakte naam met een vertaling van Ovidius’ Metamofosen boek 13 (Wapen-twist tusschen Aiax en Ulysses, 1664) en een boek over militaire technieken in de oudheid (Der Griken en Romeynen krygs-handel: ofte Beschrijvinge van de Griekse en Roomse land-militie, 1675, herdrukt in 1686) waarvoor hij voornamelijk klassieke bronnen gebruikt. Zijn verzamelde gedichten bevatten verder gelegenheidslyriek: epithalamia (meestal traditioneel, maar incidenteel vol zelfs voor bruiloftsliederen uiterst schunnige toespelingen), verjaardagsverzen en gedichten over het leger. Tenslotte een groot aantal epigrammen, deels vertaald uit Martialis. Een veelzijdig dichter dus, met een aantrekkelijk oeuvre.

De twaalfde druk van deze verzamelde gedichten verscheen in 1711, van zijn drie toneelstukken zijn 56 edities bewaard. Daarna verdween hij tweehonderd jaar lang van de leesplank, omdat zijn soldatenhumor niet meer gewaardeerd werd. Voor die preutsheid is nu geen reden meer: in de boekhandel staat wel schunniger literatuur dan de toespelingen van Paffenrode. Het is tijd voor een herwaardering.

Zijn treurspel Den onder-gang van ionk-heer Willem van Arkel (Gorkum, 1662) speelt tijdens de Hoekse en de Kabeljauwse twisten. Arkel is een speelbal tussen Beieren en Gelre. In de laatste week van november 1317 belegert de zestienjarige Jacoba van Beieren de stad, waar Willem van Arkel zich verschanst heeft. Olga van Marion, die het spel analyseert in haar bijdrage aan het boek Vrouw van het Vaderland. Jacoba van Beieren in literatuur en kunst (2011) toont zich nogal teleurgesteld over Paffenrode’s typering van de vrouw van het vaderland, die zich door een kalverliefde laat meeslepen. Paffenrode was er ook niet op uit om heldendom te belichten, en het ging hem evenmin om de krijgskundige moed van de strijdende partijen: hij stort zich op de vloek van de liefde, die omslaat in haat als zij onbeantwoord blijft. Een thema dat net zo goed onderwerp van een klucht zou kunnen zijn, en inderdaad valt tussen Paffenrode’s treurspel en zijn kluchten wel verwantschap te constateren. Maar groter is natuurlijk het verschil: de tragedie is senecaans van inhoud en opzet: een openingsmonoloog van 142 verzen, reien achter ieder bedrijf, sententia’s (vs. 1129: ‘De slappe meesters dik verrotte wonde maken.’)

Paffenrode vindt zijn materiaal in twee passages uit de recente stadsgeschiedenis van Abraham Kemp: Leven der doorluchtige Heeren van Arkel (Gorkum 1656): ‘Voor den strijd had Vrouw Iacoba heymelijk aan Arkel gesonden sijn Neef den Ridder Heer Aarnd van Leyenburgh, Drossard van Gorinchem, om hem te raden, ja te porren tot haar beyder huwelijk: maar hy op den Beyer, haar Vader te seer gebeten zijnde, verachtende haren hoogen staat, gedenkkende aan den sijnen, by hem te verwachten, antwoorde wel fierlijk, liever te sterven, dan met haar te verenigen, en sond Leyenburgh soo henen.’ (p, 206-207)

Hiervan weet hij echt toneel te maken. Met zijn stijl, die niet gezwollen of duister is, onderscheidt Paffenrode zich gunstig van veel van zijn tijdgenoten; maar het is vooral zijn gevoel voor psychologie dat de tekst aantrekkelijk maakt. Het is bijna komisch hoe Leyenburgh zich in allerlei bochten wringt voordat hij Jacoba het slechte nieuws durft vertellen. Dat slechte nieuws was voor haar voorspelbaar genoeg, want terwijl zij reikhalzend naar zijn terugkomst uitziet vergelijkt zij zich met de klagende vrouwen uit de heroïdes van Ovidius:

.        Het geen dat ik besta is eertijds meer geschiet.
.        Indien dat ik bemin ik ben de eerste niet.
.        Die sulks begeert te sien, die open maer de boeken,
.        Waer in d’exempelen niet wijd en sijn te soeken,
.        Hy lees hoe Jason van Medea wierd bemint,
.        Hoe brandend’ Sappho tot haer Phaon was gesint:
.        En hoe de maegd (na dat sy door verliefde versen
.        Vergeefs gesocht had hem sijn weer-liefd af te persen)
.        Sich van het hoog gebergt heeft in de zee gestort,
.        En door de wanhoop soo haer leven heeft verkort.
.        Hoe Dido, boven dit den hooft-man der Troianen
.        Heeft om sijn min gesmeekt in biggelende tranen.
.        Doch waer toe meer verhael? Men sag van alle tijd
.        Dat eenigh edelman wierd om sijn deugt gevrijt.
.        Dies loopen ’t spoor heel mis al die het daer voor houwen
.        Dat keur van huwelijk geen plaets heeft in de vrouwen,
.        Insonderheyd als wy, wiens trouwen meest bestaet
.        Uyt insicht voor ’t gemeen, en redenen van staet.
.        Maer Leyenburg die schijnt al vry wat lang te toeven.
.        Kreeg hy een ongeval het sou mijn ziel bedroeven.
.        ’K sal haest den uytslag sien. Het schijnt de tijd sich rekt
.        Wanneer ons hakend hert naer imands weerkomst trekt. (vs 603-624)

En dan nadert Leyenburgh, op van de zenuwen:

.        Sacht daer’s de hartogin. Vrou Jac. Uw’ blijven schijnt my jaren.
.        Verhaelt ons hoe gy met uw’ boodschap bent gevaren.
.        Uw’ wesen (naer my dunkt) voorspelt my niet veel goed.
.        Ik lees een quade maer uyt uw’ onstelt gemoed.
.        Wast aengenaem, of had hy tot de saek geen ooren?
.        Leyenb. Indien ’t me-vrou gelieft sy sal het van my hooren.
.        Was oit een stad vol rou, vol droefheyt, en vol druk,
.        Neerslachtich, in de klem van’t nakend ongeluk,
.        Soo isset Gorcum nu. De mensen sich verschuylen
.        Om in haer eensaemheyd haer noodlot te behuylen.
.        ’T is droefheyd om en d’ om. Waer men sich keert of went
.        Men hoort niet als een galm die suchten opwaerts sent.
.        De stad die dreygt sich in de tranen te versuypen
.        Die lanx de wangen van den bangen borger druypen,
.        Die (en niet sonder reen) voor vrou en kind bedeest
.        Heel anxstich van dit werk een swaren uytslag vreest.
.        De vrouwen naer om hoog gevouwen handen recken
.        Om soo den hemel tot medoogen te verwecken.
.        Elk vreest dat Arkel wacht het uyterste geweld,
.        En soo sijn gansche stad als in een bloed-bad stelt.
.        Het volk dat kreeg wat hoop met dat ik was gekomen,
.        Die in een oogenblik haer weder wierd benomen,
.        Want met dat ik. Vrou Jac. Maek kort leyt mijn geduld en om.
.        Leyenb. Op dat ik dan tot slot van mijne reden kom.
.        Na dat ik alles had aen Arkel voorgedragen,
.        En naer mijn kleyn verstand niet over had geslagen,
.        Versekering gedaen met wat een dieren eed
.        Gy uw’ oprechte min hat tegen my bekleet,
.        Soo heb ik hem daer op heel ernstich voor gehouwen
.        De swarigheyd die hy kon weren door dit trouwen,
.        De ramp en onheyl, die hy hier door sou ontgaen.
.        Gedurend’ dat ik sprak sag hy my vinnich aen.
.        Sijn oogen onder het gefronste voorhoofd branden
.        Gelijk twee vlammen vier. Hy knarsten op sijn tanden,
.        En ’t hert beswangert met een lang verkropte spijt
.        Berst teffens uyt, en my daer op in’t aensicht smijt
.        Hoe dat den Beyer ’t huys van Arkel had getreden,
.        Sijn landen gans verwoest, sijn sloten, borgten steden
.        Tot aen de grond verbrant, en hoe hy door het stael.
.        Vrou Jac. Secht my sijn antwoort want ik haet dit lang verhael.
.        Leyenb. Hy nam veel liever sich met eygen hand het leven
.        Als dat hy hem met u sou in de echt begeven. (vs. 647-678)

Teleurgesteld en woedend besluit Jacoba nu de bezetting in alle hevigheid voort te zetten. Na de beschrijving van de bloedige slag om Arkel, waarbij aan beide zijden talrijke slachtoffers vielen, gaat Kemp verder: ‘Vrouw Iacoba hoorende Ionkker Willems dood, barst uyt met tranen, seggende, Ik heb gewonnen maar verlooren, betoonende soo haar hertelijke genegentheyd, en sy had altijd op Brederoede [haar veldheer] begeert dat men doch toesien soude den Ionkker van Arkel niet te verslaan, maar gevangen te krijgen, hoopende hem alsoo noch t’haarder liefde en versamingh te trekken […] Arkel bleef langen tijd in sijn bloed, slijk, en vuyligheyd, verslagen in de Krijt-steegh, daar eenen steen tot eeuwige gedenkkenis, in’t voor-gevel van een kleyn huysken, daar na gesteld is.’ (p. 208) Op die plaats is nog altijd de kopie van een gedenksteen te zien, oorspronkelijk aangebracht in 1549, met het dichterlijke opschrift: ‘Doemen schreef veertienhonderdzestien en een, doe bleef de edelen hooggeboren Willem van Arkel voor desen steen.’ Deze stadsgeschiedenis en deze steen zullen voor Joan van Paffenrode de inspiratie geweest zijn voor het schrijven van zijn treurspel. Ik wil, zegt Jacoba, ‘Het bloed en vuylicheyd van sijne wonde wassen.’ Daarna barst zij uit in een lyrische klaagzang:

.                Dat de standaerts en de vanen
.                Sich nu doopen in mijn tranen:
.                In de plaets van lauren blaen
.                Sy het treur-kleed aengedaen.
.                ’t Rou-tapijt behangh de salen
.                In de plaets van segepralen,
.                Dat de punt van spies en speer
.                Nu het opperst onderst keer.
.                Het geweer verkeerd gegrepen
.                Laet de punt lanx d’aerde slepen.
.                Dat de veld-trom sich verdooft,
.                En met baey haer galm berooft,
.                Op dat onse droeve ooren
.                Hare dompe rou-mars hooren.
.                ’T helder tjillen sy belet
.                Van de vrolijke trompet.
.                Laet het doove mond-stuk neuren.
.                En met my ’t verlies betreuren
.                Van den braven jongen held
.                Door mijn eygen volk geveld,
.                Door mijn eygen hand doorsteken.
.                Oogen stort vry gansche beeken,
.                En verdrinkt mijn droef gemoed
.                In een brakke tranen vloed. (vs. 985-1008)

Hoe haar te troosten?  Dat probeert haar biechtvader, heer Bernard door het verhaal van Cinna aan te halen. Dit verhaal is wijdverbreid, maar vooral beroemd als de tragedie die Corneille in 1643 publiceerde (dit spel werd pas in 1683 in het Nederlands vertaald). De biechtvader houdt Jacoba voor dat haar wraakzucht zich niet moet uitstrekken tot de graaf Vernenburg, een krijgsgevangen geraakte neef van Willem van Arkel. Hij stelt haar keizer Augustus tot voorbeeld, die op aandringen van zijn vrouw Cinna vergiffenis geeft nadat deze een aanslag op zijn leven heeft gepleegd:

.        Dit merkten Livia, de wijse keyserin
.        Valt hier op haren heer met dese woorden in.
.        ’T is lang genoeg gemoort. Wat stort gy langer plassen
.        Van bloed, vergeefs hebt gy uw hand daer in gewassen,
.        […]
.        Augustus volgt haer raed, doet Cinna voor hem komen,
.        Ik weet syt hy al ’t geen dat gy hebt voorgenomen
.        […]
.        Nochtans vergeef ik ’t u. Was ik u vriend voor desen
.        ’K sal dit onaengesien altoos deselfde wesen
.        Die ik te voren was. Laet ons nu sien voortaen
.        Of ik best goed doen kan, of gy het goed ontfaen.
.        […]
.        Indien hy door het sweerd hem ’t leven had benomen,
.        Hy had in plaets van een, tien vyanden bekomen,
.        Daer nu in tegendeel sijn goedertierentheyd
.        Veel eeuwen naer sijn dood geroemt wert, en verbreyt. (vs. 1143-1176)

Het toneelstuk gaat dus over psychologie, meer dan over de harde werkelijkheid van een belegering. En juist bij een belegering is Paffenrode gesneuveld. Net zo goed als d’Artagnan verdient hij een standbeeld, niet om zijn vechtlust maar om zijn treurspel. En dan hebben we het over zijn beide kluchten nog niet eens gehad.

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/PaffenrodeArkel1662.html

Dit bericht is geplaatst in column, edities, letterkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.