Gelijke rechten voor alle talen

Door Marc van Oostendorp

taalrechten

Illustratie: M. van Oostendorp

Wie het nieuwe nummer van Language Problems & Language Planning (LPLP) doorneemt, merkt weer eens hoeveel dingen er op deze wereld niet geregeld zijn. Dat nummer is namelijk geheel en al gewijd aan de gelijkheid der talen: moeten alle talen gelijke rechten hebben?

In de praktijk is dat natuurlijk niet zo: met het Engels kun je natuurlijk op veel meer plaatsen terecht dan met het Beloetsjie, een minderheidstaal uit het grensgebied tussen Iran en Pakistan. Is dat erg? En zo ja, wat valt eraan te doen? In Friesland zijn er mensen die zich boos maken omdat er vanwege bezuinigingen steeds meer Friezen buiten de provincie voor de rechter komen – waar ze geen recht hebben om Fries te spreken. Is die boosheid terecht?

Uit dit nummer blijkt vooral dat er op het internationale toneel nauwelijks mensen zijn die zich over deze kwestie zorgen maken. Grote organisaties als de Verenigde Naties hebben eigenlijk nauwelijks een taalbeleid. Met de mond wordt wel af en toe de waarde van minderheidstalen voor het menselijk erfgoed beleden, maar die mond spreekt dan zelf liefst Engels, of anders een andere grote taal.

Beloetsjistan

De materie is ook ingewikkeld, betoogt Yael Peled – een van de weinige echte specialisten op dit gebied – in haar artikel, onder andere doordat de begrippen taal en gelijkheid allebei vaag zijn. Niemand heeft een keihard criterium hoe je talen van dialecten moet afbakenen, dialecten van accenten, accenten van individuele verschillen. En de gelijkheid van de Friezen – hoever moet die gaan? Moeten Friezen ook in andere Nederlandse provincies Fries kunnen spreken? En elders in de Europese Unie? Bij de VN? Waar ligt de grens en op welke grond?

Taalpolitiek gaat daarom eigenlijk altijd per definitie uit van willekeur. Je kunt in ieder geval streven naar een ideale wereld waarin niet gediscrimineerd wordt op geslacht, huidskleur of zelfs godsdienst, maar zolang we het ons niet kunnen permitteren dat een toerist uit de Stellingwerven bij zijn vakantiereis in Beloetsjistan een tolk Stellingwerfs – Beloetsje krijgt toegewezen, zal er een bepaalde mate van ongelijkheid blijven bestaan.

Migratiestromen

Tegelijkertijd kan dat natuurlijk geen reden zijn om dan maar niet na te denken over individuele kwesties: hoe oneerlijk is het eigenlijk dat je in Nederland of Vlaanderen niet meer kunt afstuderen als je geen Engels beheerst op hoog niveau? Het betekent op zijn minst dat aan Nederlandse en Vlaamse natuurkundigen meer eisen worden gesteld dan aan Engelse (die geen enkele vreemde taal hoeven leren beheersen). En op welke gronden hebben we bepaald dat Friezen in ieder geval in eigen provincie recht hebben om in allerlei omstandigheden Fries te spreken terwijl Koerden in zulke omstandigheden op zijn best Koerdisch mogen spreken als ze zelf een tolk verzorgen?

In België is natuurlijk meer nagedacht en gediscussieerd over taalrechten en taalpolitiek dan in Nederland, maar ook daar lijkt een en ander nog nauwelijks ingericht op de veel ingewikkelder problemen van de 21e eeuw, met zijn globalisering en migratiestromen.

Het beste is, zegt Peled, om deze zaken niet zozeer te bekijken op het niveau van talen, maar dat van het individu. In de werkelijke wereld zijn mensen doorgaans niet eentalig, maar beschikken ze over een repertoire aan talige mogelijkheden. Je zou ermee kunnen beginnen om te vragen dat de overheid rekening houdt met het taalrepertoire van de onderdanen.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , . Bookmark de permalink.