Etymologie: zwelgen

Door Michiel de Vaan

zwelgen ww. ‘zich te buiten gaan’

zwelgenOudnederlands farsuuelgit ‘verzwelgt’, farsuelge ‘verzwelge’ (Wachtendonckse Psalmen, 901–1000), Middelnederlands swelgen (swalch, geswolgen) ‘doorslikken, verslinden’ (1240), gesuelgen ‘doorslikken’ (1265–1270), ghesuelch ‘keel’ (1276–1300), verswelghen ‘doorslikken, opslokken’ (1265–1270), Suelghemast toenaam ‘die voedsel verbrast’ (1270).

Vnnl. swelghen ‘gulzig opeten of -drinken; doorslikken’ (1516), variant swilghen (1582); afgeleiden betekenissen ‘brassen, losbandig leven’ (1573), zwelgen in ‘baden in, opgaan in’ (1814). Dialectvarianten zwalgen (WVla.), zwilgen (OVla., WBrab.).

Verwante vormen: Mnd. swelgen, Oudhoogduits swelgan, swalh, -swolgan, Mohd. schwelgen, MoWFri. swolgje, Oudengels swelgan, MoE swallow ‘doorslikken’, Oudijslands svelga (sterk ww.), svelgja (zwak ww.) ‘inslikken, verslindenʼ.

Uit Proto-Germaans *swelgan, *swalg, *swulgana- ‘verslinden’. De verdere Indo-Europese etymologie is onduidelijk. Het Iraanse ww. *hwara- ‘eten, drinken’ (Avestisch xvara-) kan uit *swel- komen en wordt vaak met Germaans *swelgan vergeleken, dat dan uit PIE *swel-gh– zou komen, maar de toevoeging van *-gh– hangt nogal in de lucht, en het Iraanse woord kan ook binnen het Iraans van een werkwoord *hwar- ‘nemen’ zijn afgeleid.

zwelg zn. ‘keel’

Mnl. swelch, zwelge ‘grote slok; keel, open muil’ (1440–1460), Nnl. zwelgh ‘keel’ (1544), ‘slok, teug’ (1609), Westvlaams zwelg ‘slok; keel’. Ook Mnl. swalch ‘waterkolk; open keel’ (1377–1381).

Verwanten vormen: Mnd. swalch, swelch m. ‘open keel, vloedgolf; het zwelgen’, Mhd. swalch ‘kolk, vloed’, swelch ‘zuiper, verslinder’, Nhd. Schwalch ‘opening van een smeltoven’, Oudijslands svelgr m. ‘draaikolk; zwelgerʼ.

Uit PGm. *swalg-i-, de variatie tussen zwelg en zwalg kan uit de aan- en afwezigheid van i-umlaut in dit soort stammen worden verklaard (vgl. stap en step uit *stap-i-). Andere afleidingen van het ww. zijn o.a. Ohd. swelgo ‘slokop’ < *swelg-an-, Oudsaksisch swolg ‘draaikolk’, OIJsl. sylgr ‘slokʼ < *swulg-i-. De betekenissen ‘draaikolk’ en ‘vloedgolf’ zijn overdrachtelijk uit ‘verslindend, slokop’ ontstaan.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.