Etymologie: wulp

Door Michiel de Vaan

wulpwulp zn. vogelnaam ‘numenius, steltloper, snipachtige met naar beneden gebogen snavel’

Nnl. wulp (1595), regen wulpen (1598). Uitzonderlijk is de spelling woulp (1724).

Verwante vormen: Nederduits wilp, wolp, wölp ‘wulp, snip’ (Twents tuut-welp ‘wulp’), Nieuwfries wylp ‘wulp’, heawylp ‘grutto’ (lett. ‘hooi-wulp’), OE hwilpe m./v. ‘soort vogel’, Schots quhap (1538), quhaip (1553), whap (1683) ‘wulp’, Engels yerwhelp (1577), yarwhelpe (1577) ‘grutto’, let. ‘schreeuw-wulp’.

De verwante vormen tonen aan dat wulp ontstaan is uit *wilp of *welp met ronding van i of e tot u zoals in het Nederlands wel vaker plaatsvond voor l (vgl. schulp uit schelp, spul uit spel, dialectisch zulver uit zilver) en waarbij hier de lipklank w- ook meegewerkt heeft. De Oudengelse vorm kan op *hwalpjōn– teruggaan, de Schotse op *hwalp-; daaruit blijkt dat in het Westgermaans zowel *hwalp- als *hwelp- bestonden voor ‘wulp’.

Eerdere woordenboeken verbinden de wulp met zijn roep. Vanwege de vormgelijkheid met welp ‘jong dier’, uit PGm. *hwelpa-, zouden beide benoemd zijn als ‘schreeuwer’ of ‘janker’; vergelijk voor de ‘wulp’ dialectnamen als regentuiter en regenfluiter. Maar terwijl ‘fluiten’ een passende benaming voor het geluid van de wulp is, vind ik ‘schreeuwen’ geen passende toespeling. De variatie *hwalp-, *hwelp- wijst op een andere mogelijkheid, nl. dat de vogel naar zijn kromme snavel is benoemd. De naam is dan afgeleid van het sterke werkwoord PGm. *hwelfan- waarvan Ned. welven afstamt, en waarnaast ook afleidingen met *a zoals *hwalfa- ‘welving’ en *hwalbjan ‘doen welven’ bestonden. De wulp was dan een n-stammig woord *hwelp-an- of *hwalp-an-, ‘die met de kromme snavel’. Zie Kroonen 2011 voor de verklaring van Germaanse n-stammen op –p naast werkwoorden met –f/b-.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.