‘Een spreker met gebonden handen en een zak over het hoofd’

Door Marc Kregting

StijlBehalve op een onwillige echtgenoot stuit Renate Rubinstein in haar scheidingsboek Niets te verliezen en toch bang (1978) op de stoorzender die voornaamwoord heet. Wanneer ze ‘zij/haar’ gebruikt, meent ze, dan denken lezers dat ze over zichzelf schrijft. Maar wanneer ze dat koppel vervangt door ‘hij/zijn’, dan heft ‘de “feministisch” getrainde lezer – dat is iemand die de wereld verdeelt in twee groepen, te weten mannen en vrouwen, naar aloud en nu weer bijdetijds seksistisch gebruik – zijn vinger en wijst mij op “masculinisme”.’ Rubinstein beslist dat het mannelijke voornaamwoord voor haar neutraal genoeg is.

Bijna veertig jaar later komt Tim Parks in Waarom ik lees (2014) met dezelfde oplossing als hij deze verwijskwestie benoemt. Hij heeft ‘hij/zijn’ altijd als ‘onpersoonlijk en geslachtsloos’ ervaren, en de nuance door vermelding van de dubbeloptie (‘hij/zij’, ‘zijn/haar’) als ‘pietluttig en onelegant’. Lezers zouden constant geconfronteerd worden met een probleem ‘dat er niet is’. Parks volhardt dan maar in zijn gewoonte, ‘om de aandacht scherp te houden’.

Bij zowel Rubinstein als Parks ogen argumenten bij een grammaticale kwestie niet gepland. À l’improviste onthullen ze wel meteen een wereldbeeld dat op zijn beurt kan evolueren. Ik wil zulke in de rand van het betoog geformuleerde visies achterhalen in twee boeken over taal die op alle fronten van elkaar verschillen. De Leidse neerlandici Peter Burger en Jaap de Jong beargumenteren in Handboek stijl (1997) hoe je moet schrijven, de germanisten Jan Hautekiet en Ann De Craemer laten in Heerlijk Helder (2015) zien hoe het niet moet. De eerste titel vestigt een nieuwe orde, de tweede titel haalt een bestaande orde onderuit.

Alleen al door de herziening van Handboek stijl in 2009 schemeren maatschappelijke veranderingen. Er zijn bijvoorbeeld bijna vier pagina’s over welzijnstaal geschrapt en tussen de nieuwe woorden wordt ‘halal’ opgesomd. Handboek stijl vergt plaatselijk lezen. Register en inhoudsopgave wijzen de weg naar antwoorden op gelegenheidsvragen. Heerlijk helder is het juist aan zijn stand verplicht zich van begin tot eind vlot te laten lezen. Het boekje wil aantonen waar het spaak loopt met schriftelijke communicatie. Dit is een maatschappelijk probleem, dat niet alleen de efficiency bemoeilijkt maar ook deelname van burgers. Deze reageerden dermate massaal op een even ludiek als ernstig radioproject over onbegrijpelijke teksten, dat er een boek van kwam. In de voettekst ontvouwt zich een lexicon met ‘favoriete uitgeholde woorden’ van Hautekiet en De Craemer, die ze van absurd commentaar hebben voorzien.

Bij de herziene druk uit 2009 van hun Handboek stijl. Adviezen voor aantrekkelijk schrijven kijken Burger en De Jong terug op hun eerste samenwerking, als studenten. Ze interviewden toen Gerard van het Reve, maar ze waren vooral geporteerd voor wat diens broer Karel had verteld over ‘de onaantrekkelijke schrijfstijl van literatuurwetenschappers’ in Het raadsel der onleesbaarheid. De professor kantte zich tegen holle moeilijkdoenerij en hij presenteerde zich daarbij zo kurkdroog dat het olijk werd.

Het was een tijd waarin kennis exclusief bij papier hoorde. Vandaar dat Burger en De Jong in de eerste druk een medicijn wisten tegen de vernietigende aanblik van een leeg vel: ‘Schrijf een brief aan een vriend om uw pen los te maken’. Schijnbaar niet helemaal in de actualiteit van de beeldspraak ingedaald wordt dat in de herziene druk: ‘Schrijf een mail aan een vriend om uw pen los te maken’. De virtuele wereld die zich hier aankondigt, zou zorgen voor een verbreding en democratisering van kennis. In de geest van Karel van het Reve zou zelfs de overtuiging postvatten dat specialisten veel geld verdienen aan wat met enig gezond verstand ook wel te bedenken is. Handboek stijl legt wat dat betreft het hoofd op het hakblok door van Harry Mulisch nog de interviewuitspraak aan te halen: ‘Het kan voorkomen dat ik me drie of vier uur zit af te vragen of ik een punt of een puntkomma zal zetten.’

Politieke veranderingen lijken de auteurs in acht te nemen bij hun toelichting op het klassieke advies Show, don’t tell. Oorspronkelijk rieden ze aan zo te stileren ‘dat de lezers “het voor zich zien” – of “het” nu een aan lager wal geraakte circusdirecteur is of de misère van de asielzoekers in Nederland’. Ruim tien jaar later is dat ‘de misère van asielzoekers’. Deze mensen worden niet meer over één kam geschoren, al was het omdat ze zich eveneens buiten de landsgrenzen aandienen. Voor het maken van een boeiende tekst over hen blijkt ook de vervolgvraag aangepast. ‘Welk deel krijgt een verblijfsvergunning?’ wordt ‘Hoeveel van hen krijgen een verblijfsvergunning?’. Die nieuwe versie, die verderop ‘inburgeringscursus’ als neologisme verwelkomt, oogt iets persoonlijker.

Mochten deze wijzigingen een toegenomen politieke correctheid suggereren, dan zou dat niet helemaal bij Burger en De Jong passen. In 1997 benoemden ze de paradox dat eufemismen schade kunnen aanbrengen aan minderheden. In 2009 staat er dat ‘allochtoon’ al enkele jaren onaangetast als neutrale term functioneert en dat ‘zwarte piet’ een weinig betwiste term is, maar ook dat ‘neger’ blijft rondgaan ondanks de opmars van ‘zwarte’. Er was toen eveneens sprake van ‘mensen van kleur’, maar die variant lijkt ondertussen verdwenen.

Zelf blijven de auteurs bij het advies om ‘niet voor de radicaalste oplossing [te kiezen], tenzij u actie wilt voeren’. Radicaal wil dan wel degelijk zeggen ‘politiek correct’, waartegen het pragmatische argument in stelling wordt gebracht dat nette woorden niet tot nette gedachten leiden. Een ‘linguïstisch Lourdes’, om hun aanhaling uit Robert Hughes over te nemen, zou niets veranderen. Even nuchter tonen de auteurs zich bij seksistisch taalgebruik. Volgens hen moet je problemen vermijden. Niet door constructies die lacherigheid verwekken, maar door alternatieven: meervoud (‘zij/hun’) in plaats van enkelvoud, ‘verpleegkundige’ in plaats van ‘zuster’… Bij beide oplossingen maken de auteurs wel een cirkelredenering, omdat taal volgens hen altijd de maatschappelijke werkelijkheid volgt, nooit andersom. Ook verwachten ze weinig van goede bedoelingen, zeker wanneer die in de praktijk patronen bevestigen.

Het show, don’t tell– principe hangt bij Burger en De Jong samen met het concrete, dat bij lezers de kans op identificatie vergroot. Dan is het raadzaam niet te spreken over groepen, maar een lid ervan voor te stellen. De auteurs citeren interviewer Frenk van der Linden voor wie het leven ‘niks meer en niks minder [is] dan de optelsom van individuele waarheden’. Ze wisten uiteraard niet wat anno 2015 de neerslag van die opvatting zou worden, toen diezelfde journalist in een televisiedocumentaire Ahmed Aboutaleb probeerde te ontmaskeren. Spreken vanuit de kleinste eenheid, die zich in de documentaire voor het te portretteren object wurmde, is gewoonte geworden op het internet. Bij een volgende druk kunnen Burger en De Jong, die in 2009 ook ‘blog’ als een nieuw woord opvoerden, lastig om sociale media heen en wordt het de vraag of die hun ideeën over identificatie in tact laten. Zo niet, dan kan hun hele hoofdstuk ‘Schrijf menselijk’ op de schop.

Dat hoofdstuk mag in de toekomst sowieso een maatschappelijk fenomeen verdisconteren dat na de herdruk gestalte kreeg. Men ervaart het als ondraaglijk om bevoogd te worden. Aan dat gevoel, dat een verhevigde versie lijkt van de autoriteitscrisis in de protestdecennia, geeft het potentieel zo pluriforme internet lucht, vooral door anderen ‘hypocriet’ te verklaren aan wie macht toegeschreven wordt. In Handboek stijl betekent menselijk echter nog invoelend, deel van een ‘inclusief wij’. Komt dat ‘wij’ intussen even bemoeizuchtig over als traditiegetrouw de overheid? Tegenover instituties posteren zich met het wereldwijde web verbonden individuen die hun eigen weg beweren te gaan. Maar de meerderheid van Burger en De Jongs tips in dit hoofdstuk trachten lezers te laten participeren. Technische varianten van aansprekingen moeten hen bij de tekst betrekken – en kunnen ondertussen overkomen als paternalistisch, kolonialistisch, vaderlijk, doctrinair…

Intrigerend is dat Burger en De Jong zich bewust zijn van zulke ongewenste effecten. Bij het aanspreken manen ze tot diplomatie, al was het omdat de context het net gelegde contact kan verbreken (‘Weet u welk merk vruchtensap te maken heeft met vernietiging van het regenwoud?’). Toch bekennen ze deze techniek zelf te gebruiken, anders was het Handboek ‘analytischer, beschouwelijker’ geworden. Discussiepunt voor een volgende druk zal dus worden wat verlevendiging nog inhoudt.

Wat daarbij als toegankelijke taal geldt, is weer iets anders. Vooralsnog vinden Burger en De Jong een wetenschapper-dialectoloog die in een interview termen gebruikte als ‘regiolect’ en ‘solidariteitstaal’ te stijfjes. Goedkeuring hechten ze wel aan: ‘Mensen willen uitdrukken dat ze in een streek horen, dat ze zich bijvoorbeeld Noord-Limburger voelen, dat is hun identiteit. Door een Algemeen Noordlimburgs te spreken, dus dialect waar de ergste boertige kantjes af zijn, laat je horen dat je geen boerehufter bent, maar evenmin een Randstedeling.’

Als optie voor verlevendiging handhaven Burger en De Jong in 2009 het literaire citaat. Is dat inmiddels geen proeve van pretentie? De auteurs zien het gevaar van uitsluiting wel. Toch benadrukken ze dat citaten de eigen autoriteit en eruditie verhogen, én lezers met dezelfde achtergrond vleien. Dat overdaad daar echter bij kan schaden, bewijzen ze met een fragment uit het werk van René Diekstra (van wie een verzamelbundel voor studenten die hij samen met een collega in 1985 maakte meermaals als afzetpunt fungeert). Maar voor het mooiste citaat in het Handboek zorgen Burger en De Jong zelf: ‘Een schrijver is een spreker met gebonden handen en een zak over het hoofd’

Een literaire bron die voor hen meer vertegenwoordigt dan een citaat alleen blijft Karel van het Reve. Ook Gerrit Komrij stoffeert hun ideeën. Deze autoriteiten kunnen op fouten bij anderen wijzen en hebben ervaring in het vermijden van valkuilen. In het verlengde van onbedoelde gevolgen van politiek correct handelen waarschuwt Komrij bijvoorbeeld tegen ‘te grote omzichtigheid’ die volgens hem ‘de ergerlijkste stijlfout’ aanricht. Nuanceringen als ‘vooral’ en ‘meestal’ vertragen nodeloos het tempo. Tussen de ampele verwijzingen naar Van het Reve zitten dan weer diens Broekhuis-columns waar hij, rakelt het Handboek stijl op, idées reçues onderzocht als ‘De rijken worden steeds rijker en de armen steeds armer’.

Zulke gekleurde aanbevelingen werpen misschien ook een licht op een voorbeeld dat Burger en De Jong aanbrengen van aanhalingstekens die afstand scheppen: ‘de “volksdemocratie” van Fidel Castro’. Deze typografische signalen, die Rubinstein in mijn openingscitaat spottend inzette, citeren ze ook met veel genoegen uit Het goede leven. In dat boek worden de jaren zeventig, decennium van links maatschappelijk protest, door Lodewijk en Emma Brunt met vele gretige details ontmaskerd. Burger en De Jong tonen eveneens hoe Herman Vuijsje in Vermoorde onschuld, waarin hij het gedachtegoed van de multiculturele samenleving ter discussie stelde, door middel van een gedachtestreep extra grote distantie inbouwt tegenover ‘de jaren zestig en zeventig’. John Jansen van Galen blijkt de jaren zeventig dan weer knap te hebben gebasht met behulp van beginhoofdletters. Maar diezelfde techniek bij Maaike Meijer, schrijvend over de poëzie van Judith Herzberg, maakt op de auteurs ‘een arrogante indruk’.

Misschien toont zich hier vooral framing. Die term was ook een aanwinst in 2009, door de auteurs vers uit de communicatiewetenschap gevist. Tegenwoordig slaan beschouwers én bestudeerden elkaar met framing om de oren. Belofte schept Burger en De Jongs observatie dat ouderen veeleer komma’s gebruiken om zinsdelen te scheiden, en jongeren een punt. Met de inburgering van de sms en whatsapps zal hier inmiddels onderzoek naar zijn gedaan.

 

Jan Hautekiet en Ann De Craemer vinden dat ze ‘de ambitie [mogen] hebben om van de wereld een betere plek te maken‘. Voor Heerlijk helder. Weg met krommunicatie! slopen ze een paar heilige huisjes. Onheldere taal zien ze namelijk opduiken in de politiek, maar ook bij justitie, de academische en culturele wereld, management en gezondheidszorg – niet bij ‘normale mensen die normale woorden gebruiken die iedereen begrijpt’.

Het boekje geeft hilarische voorbeelden van onnavolgbare zinswendingen. Alleen al de EU blijkt een goudmijn van voorbeelden, waar formules van notarissen en deurwaarders niet aan kunnen tippen. Verder is er telkens een interview met een ervaringsdeskundige die inzichten over een sector geeft en uitlegt hoe de praktijk werkt. Zo smeekt speechschrijver Vincent Stuer om de taallat niet te hoog te leggen voor politici omdat ze zelden de context kunnen bepalen.

De basisstelling van het boekje herhalen Hautekiet en De Craemer meerdere keren: heldere taal is moeilijker dan duistere taal, want vergt meer van het denken. Zij roepen voor die stelling de autoriteit in van Orwell, Cicero en Schopenhauer. Voor de onmachtige uitstoot van letters heeft Heerlijk Helder diverse benamingen: hermetisch, nodeloos ingewikkeld, ondoorgrondelijk, onverstaanbaar. De letters samen vormen een ‘dieventaaltje’ ofwel een ‘dialect’.

Een oplossing zien Hautekiet en De Craemer in zo concreet mogelijk taalgebruik. Vuistregels halen ze niet uit betrokken actueel onderzoek, maar uit een beroemd polemisch artikel van George Orwell uit 1946, Politics and The English Language. geen versteende metaforen, hoe korter hoe beter, schrijven is schrappen, geen lijdende vorm, liever een alledaags synoniem dan een vreemd woord. Terzijde laten Hautekiet en De Craemer blijken de tangconstructie niet te aanbidden.

Andere kroongetuigen in Heerlijk Helder zijn, weer, Komrij en Elsschot. Laatstgenoemde ‘had de gave om geen woord te veel op papier te zetten’. En inderdaad stelde Elsschot bij Kaas: ‘Wat niet nodig is dient geweerd en waar het met één personage kan is een menigte overbodig.’ Zo heeft de literatuurgeschiedenis dit verhaal, dat rijmt met de elementaire eisen van Orwell, ook gereproduceerd. Uit een steekproef met een Elsschotboek is mij echter iets anders gebleken: het bevat nogal wat vulsel.

Buiten de kunst zien de auteurs in de legendarische productpresentaties van Steve Jobs een voorbeeld, wegens diens ‘eenvoudige en korte zinnen’ waar kracht van uitstraalde. Die teksten waren ook ‘karakteristiek’ omdat het publiek wist waar ze ‘simpelweg’ voor stonden. Hautekiet en De Craemer citeren verder Richard Branson: ‘Mensen willen je passie horen en niet je theorie.’ En ‘het meest van wat iemand te zeggen heeft past op één velletje papier’.

Erg aan-de-kaak-stellend kan ik dit allemaal niet vinden. Dat maakt het besef des te pijnlijker waarop de hilariteit van Heerlijk Helder toch ook een beetje berust: leedvermaak. Tweemaal geven Hautekiet en De Craemer hetzelfde citaat uit het Vlaams regeerakkoord om de draak mee te steken. Vanaf dat punt is het onvermijdelijk te ontdekken dat de auteurs hun eigen programma evenmin voortdurend waarmaken, met uitdrukkingen als ‘een vlammend betoog’, ‘woordenbrij’, ‘tiert welig’, ‘een snoeiharde veeg uit de pan’, enz. Ze serveren pleonasmen als ‘vakjargon’ en ‘neem bijvoorbeeld’. Ze verwijten politici altijd op de proppen te komen met ‘een studie die heeft aangetoond’, waarna een advies voor geloofwaardige taal vergezeld wordt door ‘een studie van New York University uit 2011’.

Met terugwerkende kracht valt op hoe Hautekiet en De Craemer hun ondertitel verklaren. Ze verwijzen naar het cabaretduo Koot & Bie die de term krommunicatie verzonnen in de roerige jaren zeventig. En laat dat volgens de auteurs nu net gebeurd zijn in een sketch waarin warrige praat uit de mond komt van Liesbeth den Uyl, vrouw van de enige naoorlogse premier van een linkse regering! Deze informatie moeten Hautekiet en De Craemer van het internet hebben gehaald, waar een fragment staat uit het boek Jemig de pemig! van Ewoud Sanders. Daar valt ook te lezen dat de toenmalige premier zelf communicatie voorwendde om zijn (drammerige?) gelijk te halen.

Structureler in Heerlijk Helder verwerkt zit Johan Braeckman, een wetenschapper die in een interview oordeelt over ‘het postmodernisme’ aan de hand van een paar namen die bijna allemaal ook in hoofdtekst staan. De citaten uit hun werk komen blijkens de bibliografie niet uit de oorspronkelijke bron; wel maken Hautekiet en De Craemer melding van websites die ‘postmoderne teksten’ bespotten en zelfs produceren. De auteurs herhalen met genoegen bekende practical jokes met nepartikelen die door serieuze redactieteams geaccepteerd zijn. Er wordt dan eveneens verwezen naar Braeckmans samenwerking met Maarten Boudry, die ‘doelbewuste onzin’ signaleert. Ook Rutger Bregman mag in een column munitie aanleveren voor de boutade dat ‘succesvolle hedendaagse filosofen als Peter Sloterdijk en Slavoj Zizek’ niets te melden hebben. Het eerste bewijst hij aan de hand van de openingspagina van een Sloterdijkboek, het tweede met getuigenissen door anderen. Het geheel heeft zeker bravoure.

Probleem is dat Hautekiet en De Craemer geen tegenargument, periodisering, verandering of nuance binnen ‘het postmodernisme’ aanhalen. Ze geven er zelfs geen begin van een andere uitleg aan dan: ‘Kernachtig samengevat zegt het postmodernisme dat waarheid en authenticiteit niet bestaan. Voor postmodernisten kunnen taal en werkelijkheid niet volledig samenvallen en kun je dus over de werkelijkheid geen betrouwenbare uitspraken doen.’

Die tunnelvisie wordt gecombineerd met psychologische toelichtingen. De belofte in de inleiding van Heerlijk Helder om ‘de mechanismen [bloot te leggen] die schuilgaan achter krommunicatie’ lossen Hautekiet en De Craemer namelijk volledig in. Duister taalgebruik blijkt pretentie te verraden, onoprechtheid, misleiding, gemakzucht, narcisme en ‘intellectuele corruptie’. In het beste geval schatten protserige taalmisbruikers onvoldoende in welke kennis hun publiek bezit. Evengoed kunnen zij volgens Hautekiet en De Craemer de domheid vertonen van slimme ontvangers die overal betekenis uit menen te kunnen halen, al was het ten gunste van ‘een bepaalde intellectuele elite waartoe je misschien wilt behoren’.

De antibevoogding die ik bij Burger en De Jong aanhaalde, heeft zich in Heerlijk-Helder vastgezet. Hautekiet en De Craemer storten zich op intentieprocessen. Hun prooien zijn geen mensen die, zoals ik vermoed, gedachteloos stileren of moeite hebben snedig uit de hoek te komen, maar kameleons die doelbewust vaagheid verbreiden. De onoprechtheid, die Orwell al als belangrijkste diagnose stelde, blijkt ideologisch. Versluieringsarbeid geschiedt in eigen belang, voor de instandhouding van posities boven in een hiërarchie.

Veertig jaar na Het raadsel der onleesbaarheid besteedt de laatste blog van het Belgische project aandacht aan een onderzoek over wetenschappers, waarvan de uitkomst is dat sjoemelaars meer jargon zouden gebruiken. Dikdoenerij en bedrog ineen, besloten met een Schopenhauer-wijsheid die ook in het boek stond. Behalve hilarisch is Heerlijk-Helder, moet me van het hart, moralistisch. Zijdelings durven Hautekiet en De Craemer het andere uiterste van Jip-en-Janneketaal te melden, plus de noodzaak van precisie bij jargon. Maar dat blijkt ‘vaak een excuus’.

Lastig vind ik verder dat het engagement maar niet losraakt van het belust uitstorten van vooroordelen. Bijvoorbeeld over kunstkritiek, een complex onderwerp dat doodleuk in het hoofdstuk over academische taal en postmodernisme is geschoven:

Het postmodernisme drukt vandaag nog steeds zijn stempel op de manier waarop over kunst wordt geschreven. Dat merk je meteen in een pak kunstkritieken, vaak neergepend door mensen die binnen de muren van Academia zijn gevormd. De moderne (en vooral beeldende) kunst leent zich natuurlijk uitstekend tot wollige bespiegelingen, want vaak gaat het over kunstwerken die alleen door middel van de taal een (diepere) betekenis kunnen [kan?, mk] worden toegekend. Hoe onbegrijpelijker die taal, hoe kunstzinniger de betekenis bij een bepaald publiek overkomt. (…) Vaak ook zeggen critici gewoon iets wanneer ze niets te zeggen hebben.’

De cursiveringen zijn van mij, omdat ik nergens de sensatie beleef te worden ingelicht over wat Hautekiet en De Craemer een paar pagina’s verder ‘het postmoderne gewauwel’ noemen. Veeleer hoor ik hier naar steun zoekende laster tegen een amorfe massa kunstenaars en tegen hun veronderstelde cercles. Die laster is door zijn vaagheid nauwelijks te weerleggen en doet ondertussen rechtvaardigheidsaanspraken. Want wie zou al die mensen voor hun bedrog moeten betalen? Ik wijs ook op de formulering ‘Dat merk je meteen…’, die tot de technieken van aanspreking behoort waarmee lezers bij de tekst betrokken worden. Hier: door de tekst opgehitst.

Hautekiet en De Craemers eigen onderzoek naar kunstkritiek beperkt zich tot ‘passages uit kunstrecensies en museumteksten die we op het web vonden’. Zo sluiten ze zich aan bij de weerzin van specialisten waarvoor internet het podium biedt en die eveneens beslag krijgt in niet-aflatende oordelen over de meest ingewikkelde kwesties – het referendum is daar wel een heel officiële proeve van. Daarbij kunnen gerenommeerde generalisten die wel blijken te deugen, even onbevoegd de weg wijzen. In een soort karaoke van de mening, dat door de kwantiteit zijn gelijk bewijst.

Onwillekeurig dringt zich naar aanleiding van ‘moderne (en vooral beeldende) kunst’ een gedachtegoed op waarin bijvoorbeeld ook ‘subsidie’ in een kwade reuk staat. Gevoegd bij de insinuaties over wetenschappers die de kluit belazeren met hun niets betekenende woorden banen Hautekiet en De Craemer uiteindelijk de weg voor een vijandig groepscliché van ‘de intellectuele elite’. Deze ziet bijvoorbeeld heil in de met kromtaal strooiende EU omdat ze er zelf beter van wordt. Zulke groteske vermoedens bespringen mij mede door de oplossing die Hautekiet en De Craemer tegen ‘passe-partouttermen’ en ‘metaconcepten’ ontwaren: alles ‘bij zijn werkelijke naam noemen’.

Het spijt me dit te constateren, in de wetenschap dat de auteurs meer in hun mars hebben. Met afstand het beste hoofdstuk van Heerlijk Helder hebben ze voor het laatst bewaard. Het gaat over de gezondheidszorg, waar jargon grote gevolgen kan hebben, zeker voor laagopgeleiden die naast dokters ook bijsluiters moeten begrijpen. Een pijnstiller die ‘orodispergeerbaar’ is, stelt echter iedereen onnodig voor problemen. Ook speelt het internet een rol, met stelligheden over precaire vermoedens over ziekten. Ten slotte zijn er verzekeraars en wetswijzigingen die in de gezondheidszorg domineren.

In concreto blijkt dan over de uitslag ‘positief’ na een kankeronderzoek meer dan één mens verheugd. Dat zo’n misverstand invloed heeft op zijn, haar of hun leven, dunkt mij even ontroerend als verontrustend.

 

Peter Burger en Jaap de Jong: Handboek stijl. Adviezen voor aantrekkelijk schrijven. Noordhoff Uitgevers. Houten, druk 2009.
Jan Hautekiet en Ann De Craemer: Heerlijk Helder. Weg met krommunicatie! Uitgeverij Polis. Kalmthout, 2015.

 

Marc Kregting (1965) werkt momenteel aan zijn veertiende boek De ware marsrichting, over kunstenaars in het publieke debat. Hij blogt op De Honingpot.

Dit bericht is geplaatst in column, recensies met de tags , , , . Bookmark de permalink.