Etymologie: aat

Door Michiel de Vaan

aat
zn. ‘voedsel’


Oudnederlands
āt ‘eten’ (901–1000), Middelnederlands āt (1236), aet m. (1265–1270) ‘voedsel’, Vroegnieuwned. aet ‘voedsel, kost’ (1563). Af en toe ook vrouwelijk ate. Een oude samenstelling is Mnl. overāt ‘vraatzucht’ (1240), een oude afleiding Oudnederlandsātōn (901–1000), Mnl. āten ‘voeden’.

In dialecten West- en Zeeuws-Vlaams aat(e), aot(e), oot(e),Zeeuws ook èèt, ‘voedsel, veevoer; wilde haver, avena fatua. Het EWN neemt onder aat voor de betekenis ‘wilde haver’ een apart woord WGm. *ait- aan. Maar de betekenis ‘wilde haver’ kan heel goed uit ‘wat het vee eet’ verklaard worden, en de klinker van aat is in Vlaanderen niet te onderscheiden van de normale reflex van lange aa.


Verwante vormen: Oudsaksisch āt, Oudfries ēt, Oudengels ǣt, Oudhoogduits āz ‘voedsel’, Oudijslands át naast áta ‘voedsel’, uit PGm. *ēta– onz. ‘het eten’, een afleiding bij eten. Zie verder, onder ander voor de verklaring van de lange klinker, het nauw verwante aas. Een ander woord waarin *āte verpakt zit is Ned. ort ‘voedingsrest, kliekje’, ook oort, Vroegnieuwned. oraete, orete, uit WGm. *uz-āt-(an-) ‘uit-voedsel’, verwant met Gotisch uz-eta ‘kribbe’, ‘waar je uit kunt eten’.

De samenstelling overāt is uit het Westgermaans geërfd getuige de overeenkomst met Ohd. ubarāz, Oudsaksisch ovarāt, Oudengels oferǽt ‘vraatzucht’. In het Middelnederlands vormen overaat en overdrank een vaste verbinging: Overaet ende overdranc maect den lichame ziec ende cranc (Boendale, Der Leken Spiegel).

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.