Waar is het Oudnederlands in de neerlandistiek?


Meer dan elfhonderd jaar geleden stond er een kleine kapel in de duinwallen van Kennemerland. Tussen het wuivende helmgras trotseerde het stenen gebouw jaar na jaar zeewind en stuifzand. De kapel was het eigendom van de West-Friese krijgsheer Gerulf, een leenman van de West-Frankische koning. Zij vormde het middelpunt van zijn Friese domein. Met man en macht verdedigde Gerulf dit domein tegen Deense zeerovers. Uiteindelijk eisten de natuur en het oorlogsgeweld hun tol. In de tiende eeuw moest een nakomeling van Gerulf de kapel landinwaarts verplaatsen. Hij breidde het gebouw uit tot een heus kloostercomplex waar veelal Vlaamse monniken prachtige handschriften produceerden. Het was in dit klooster dat een kopie van de Oudhoogduitse Williram werd vervaardigd en vermoedelijk komen ook daar de recent gevonden Oudfriese glossen vandaan. Omdat het klooster bij de monding van de rivier de Egge lag, noemde de boerenbevolking deze plaats Ecmunda. Daar te Egmond, te midden van Vlaamse monniken en Friese krijgsheren, werd Oudnederlands gesproken.

Het verhaal van Egmond en het Oudnederlands is een prachtig verhaal. Het begint in de volksverhuizingstijd met de Frankische migratie (ca. 406 nChr.) en eindigt met het elfde-eeuwse Kennemerland waar Vikingen zoals Olaf de Heilige geregeld invallen pleegden (ca. 1006 nChr.). Diverse taalkundige bronnen geven ons een beeld van deze oudste fase van het Nederlands: vroegmiddeleeuwse wetsteksten en Franse dialectwoorden, negende-eeuwse glossaria, de Wachtendonckse psalmen en de Egmondse Williram. Ondanks dat de diversiteit van het Oudnederlandse materiaal aan bekendheid wint, wordt voor veel neerlandici de oudste geschiedenis van het Nederlands nog steeds gekenmerkt door de Rochester Proba Pennae (nl. hebban olla vogela). En dat terwijl in de historische taalkunde de belangstelling voor het Oudnederlands nog nooit zo groot is geweest als nu. In dit artikel wil ik de positie van het Oudnederlands anno 2015 voor het voetlicht brengen en hardop de vraag stellen hoe we het prachtige verhaal van het vroegmiddeleeuwse Nederlands een grotere rol in de neerlandistiek kunnen geven.

Binnen de historische taalkunde neemt de interesse voor het Oudnederlands toe. In de afgelopen vijftien jaar zijn meerdere boeken uitgekomen waarin het Oudnederlands centraal staat. In 2002 publiceerden Arend Quak en Joop van der Horst hun Inleiding Oudnederlands, een mooi boekje met een overzicht van de Oudnederlandse grammatica en voorbeeldteksten. In 2003 verscheen de bundel ‘Quod vulgo dicitur’, een themanummer van de Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik dat geheel aan het Oudnederlands was gewijd. In 2004 promoveerde Tanneke Schoonheim op middeleeuwse vrouwennamen waarin het Oudnederlandse materiaal een grote rol speelde. Een mijlpaal vormde het jaar 2013 toen het Instituut voor Nederlandse Lexicografie het Oudnederlands Woordenboek (ONW) digitaal toegankelijk maakte. Recentelijk zijn er enkele waardevolle studies bij gekomen. Peter Schrijver heeft in zijn boek uit 2014 (Language Contact and the Origins of the Germanic Languages) laten zien dat de fonologie van het Oudnederlands beïnvloed is door de Keltische en Romeinse inwoners van de Late Oudheid. Michiel de Vaan heeft in zijn vidi-project ‘the dawn of Dutch’ (2009-2014) de rol van het vroegmiddeleeuwse taalcontact met het Fries onder de loep genomen. Jef van Loon heeft dit jaar een nieuwe uitgave van zijn ‘Historische Fonologie van het Nederlands’ (1986, 2015) verzorgd. Al met al kunnen we dus zeggen dat het Oudnederlands in de 21ste  eeuw wel degelijk uit de schaduw van het Middelnederlands is getreden.

Toch is deze academische cultivering van het vakgebied niet voldoende. Om de belangstelling voor het Oudnederlands levend te houden en een nieuwe generatie onderzoekers aan te spreken is het academisch onderwijs van groot belang.

Volgens mij schort daar wel wat aan. Hoewel in Nederland de meeste opleidingen Nederlands een taalhistorische introductie verzorgen en een vak ‘het Nederlands in de Middeleeuwen’ kennen, blijft een gedegen of zelfs maar inleidende behandeling van de Oudnederlandse taal veelal achterwege. En dat terwijl de oorsprong van de Nederlandse grammatica en de Nederlandse dialectvariatie toch echt in de Oudnederlandse periode moet worden gezocht. Afgelopen jaren waren er gelukkig her en der nog enkele relevante colleges te vinden. Als student Vergelijkende Taalwetenschap (2007-2012) ging ik in Leiden in de leer bij Cor van Bree, Arend Quak en Michiel de Vaan en volgde colleges waarin het Oudnederlands in groot detail behandeld werd. Groot was ook mijn verbazing toen ik leerde dat er meerdere Oudnederlandse teksten zijn, het Oudnederlands woordenboek duizenden lemmata bevat en de Oudnederlandse fonologie zich vrij precies laat reconstrueren met behulp van de vergelijkende taalkunde. Nu ik zelf in Leiden al enkele jaren Oudgermanistische vakken verzorg (2013-2015) heb ik een gedeelte van deze kennis aan mijn eigen studenten mogen doorgeven. Ook bij deze generatie studenten zie ik dezelfde verbazing die ik acht jaar geleden zelf had. Oudnederlands? Dat bestaat toch niet? Zo wordt steeds een kleine groep studenten Vergelijkende Taalwetenschap ingewijd in de geheimen van het Oudnederlands, terwijl voor het overgrote deel van de studenten Nederlands deze taalfase onzichtbaar blijft.

Ik denk dat dat jammer is en ik geloof dat de tijd rijp is om het roer om te gooien. De vroege Middeleeuwen en de Oudgermaanse talen kunnen tegenwoordig op grote belangstelling van studenten rekenen. Films en series zoals Lord of the Rings, Game of Thrones en Vikings hebben deze interesse aangewakkerd. Ook heeft de jonge generatie weinig last van politieke overgevoeligheid voor de term Oudgermaans. Bij de huidige generatie studenten roept deze term beelden op van Vikingschepen, het Oudengelse Beowulf-gedicht en de boeken van Tolkien. De gevolgen van deze populariteit zijn merkbaar. Voor colleges zoals ‘Gotisch’ en ‘Oudengelse filologie’ schrijven zich in Leiden vele tientallen studenten in. Naar mijn mening moet het onderwijs over het Oudnederlands hiervan kunnen profiteren. Vertel aan studenten dat het Oudnederlands begint in de verraderlijke veenmoerassen van vroegmiddeleeuws Holland. Bespreek de Ewa ad Amorem en de Friese plaatsnamen in Zuid-Holland. Mooier nog, geef een college sociolinguïstiek aan de hand van elfde-eeuws Frankisch-Fries taalcontact! Lees met studenten de Wachtendonckse psalmen!

Zoals in de tiende eeuw de kapel van Egmond landinwaarts werd verplaatst om haar voortbestaan te garanderen, zo is het Oudnederlands jaren geleden van de neerlandistiek naar de  Vergelijkende Taalwetenschap verhuisd. Volgens mij is nu de tijd aangebroken om het prachtige verhaal van het Oudnederlands terug te brengen waar het thuis hoort. Het Oudnederlands is waar de neerlandistiek moet beginnen.
Bibliografie
Van Loon, Jozef
2015 Historische fonologie van het Nederlands, (1ste druk 1986), Leuven/Amersfoort.
Pijnenburg, Willy & Arend Quak (eds.)
2003 Quod Vulgo Dicitur: Studien zum Altniederländischen, Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 57.
Quak, Arend & Joop van der Horst
2002 Inleiding Oudnederlands, Leuven University Press, Leuven.
Quak, Arend e.a. (eds.)
Schoonheim, Tanneke
2004 Vrouwelijke persoonsnamen in Holland en Zeeland tot het jaar 1300, proefschrift.
Schrijver, Peter
2014 Language Contact and the Origins of the Germanic languages, Routledge Studies in Linguistics 13, New York.
 
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Waar is het Oudnederlands in de neerlandistiek?

  1. Roland Schuhmann schreef:

    Waar, maar waarschijnlijk (als ik het vergelijk met de situatie van het oudhoogduits in de 'Germanistik'-studie hier) wegen het BA/MA-systeem niet goed realiseerbaar.
    (de link van het ONW funktioneert niet: "The requested URL /onderzoek-a-onderwijs/lexicologie-a-lexicografie/onw. was not found on this server.")

    Groetjes, Roland.

  2. Han Nijdam schreef:

    Hear, hear, Peter Alexander. Maar ik ben het met Roland eens, in die zin dat de tijden helaas veranderd zijn. In dat opzicht komt het Oudnederlands te laat: het had al een eeuw eerder als taalperiode erkend moeten worden, dan was het opgenomen in het curriculum voor studenten. Nu moet er nog heel veel PR worden bedreven om mensen uit te leggen dat er überhaupt zoiets als het Oudnederlands bestaat. (Een publieksboek misschien?)

Reacties zijn gesloten.