Polemologische taalwetenschap

Sinds kort is Marc van Oostendorp op Neder-L begonnen met het beantwoorden van vragen over taal die zijn gesteld aan de Nationale Wetenschapsagenda. Zo ook deze vraag:

Welke rol spelen verschillen in spreek- en schrijftaal bij internationale en intranationale conflicten? Het valt mij op dat bij berichtgeving over grootschalige en kleinschalige conflicten tussen groepen wel veel aandacht besteed wordt aan politieke, raciale en godsdienstige verschillen, maar zelden of nooit aan taalverschillen. Toch lijkt het met voor een beter begrip en mogelijke conflictoplossing niet onbelangrijk te weten of de betrokken groeperingen (bijvoorbeeld soennieten en sjiïeten) elkaar kunnen verstaan en elkaars schrift kunnen lezen. Is er sprake van taaldiscriminatie? Is er een lingua franca (bijv. Engels) en voor wie is die toegankelijk? Ook op kleine schaal (Nederlandse samenleving) is de sociaal-onderscheidende functie van verschillen in spreektaal (dialect, uitspraak, woordgebruik) wellicht belangrijker aan het worden dan een zichtbaar verschil als huidskleur of culturele kenmerken als godsdienst en kleding. 

Marc van Oostendorp maakt in reactie op deze vraag een paar goede observaties en opmerkingen, maar een echt antwoord heeft hij niet. Dat heb ik ook niet, maar ik heb wel nog wat meer interessante observaties en opmerkingen. Misschien dat we de polemologische taalwetenschap, net door Marc bedacht, wat meer leven kunnen inblazen…

Taal, volk en staat. Voor ons bestaat er een bijna natuurlijke link tussen taal en volk, volk en staat. Die gedachte leidt er bij sommige politici toe dat ze voorstellen dat Nederland en Vlaanderen één politieke entiteit moeten vormen, want we spreken toch één taal? Maar dit gedachtengoed stamt pas uit de late 18e eeuw, met denkers als Johann Gottfried Herder. (Het is mogelijk, en in mijn ogen waarschijnlijk, dat dit een post-hoc rationalisering is van een bureaucratisch proces dat een paar eeuwen eerder was begonnen.) Vóór de 18e eeuw werden staten gevormd rond dynastieën, niet rond volkeren; de extreem multi-etnische Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie is een goed voorbeeld hiervan. Dit wil niet zeggen dat niet-meerderheidstaligen niet gediscrimineerd werden — Slavische bewoners van het Heilige Roomse Rijk (der Duitse natie!) waren heus tweederangsburgers, en joden waren in heel Europa wel de klos, maar die tweederangs status kwam eerder door andere factoren dan doordat ze een beetje raar praatten.

Natuurlijk hadden vroegmoderne staten ook taalpolitiek. Die politiek was echter vooral om de bureaucratische processen te stroomlijnen, en had weinig te maken met de identiteitspolitiek die heden ten dage door Europese regeringen wordt gevoerd. Toen Wales in 1536 formeel bij Engeland werd gevoegd, was één van de bepalingen in de Act of Union dat eenieder die een officiële betrekking bij de staat wilde hebben Engels moest spreken. Met moderne ogen lijkt dit assimilatiepolitiek, maar als jij een Welshe boer was die geen interesse had in een baan bij de overheid, dan kon je zonder problemen Welsh blijven praten; en al zou je wél Engels leren, dan betekent dat nog niet dat je daarnaast geen Welsh meer zou mogen of kunnen spreken.

Een ander mooi voorbeeld komt uit 17e-eeuws Schotland, toen nog een onafhankelijk land in personele unie met Engeland. De clans uit de Schotse hooglanden wilden de autoriteit van de Schotse koning niet zo heel erg hard accepteren, en mede als gevolg daarvan werd in de in 1616 aangenomen School Establishment Act ook een bepaling opgenomen over het Schots-Gaelic, toen nog Iers genoemd: “Forsameikle as the Kingis Majestie having a speciall care and regaird that the trew religioun be advancit and establisheit in all the pairtis of this kingdome and that all his Majesties subjectis especiallie the youth, be exercised and trayned up in civilitie, godliness, knawledge, and learning, that the vulgar Inglishe toung be universallie plantit, and the Irische language, whilk is one of the cheif and principall causes of the continewance of barbaritie and incivilitie amongis the inhabitantis of the Ilis and Heylandis, may be abolishit and removeit; and quhair as thair is no measure more powerfull to further his Majesties princlie regaird and purpois that the establisheing of Schooles in the particular parroches of this Kingdom whair the youthe may be taught at least to write and reid, and be catechised and instructed in the groundis of religioun.” Maar waarom moest het Schots-Gaelic worden uitgebannen? Omdat het symbool stond voor katholicisme en rebellie tegen de macht van de koning, niet omdat Gaelic spreken niet verenigbaar zou zijn met Schots zijn.

Als het gaat om minderheidstalen, zijn die in elk geval vóór Herder hooguit collateral damage van ander beleid. Dat kan nog steeds heel wat schade aanrichten, maar taal lijkt in deze periode niet het primaire doel te zijn geweest. Ná Herder zal dit veranderd zijn, maar dat is een periode waar ik minder zicht op heb.

Standaard en niet-standaard. Taal werd ook binnen de meerderheid gebruikt om onderscheid te maken tussen bevolkingsgroepen, en dan vooral tussen de bestuurlijke elite en anderen. In zijn boek Language myths and the history of English laat Richard Watts overtuigend zien hoe de elite vanaf de 18e eeuw de zich ontwikkelende Engelse standaardtaal voor eigen doeleinden begon te misbruiken. Wie zich niet aan de regels van de standaardtaal hield, werd in de politiek niet serieus genomen — hoefde niet serieus te worden genomen. Maar nog steeds is dit geen discriminatie omwille van de taal; de taal wordt gebruikt als excuus.

Het beheersen van de standaardtaal — in de zin van ‘weten te gebruiken’, maar ook in de zin van ‘bepalen wat de standaardtaal is’ — is ook nu nog een machtspolitiek middel. Nog maar eens een mooie quote uit Engeland, dit keer van de Conservatieve politicus Norman Tebbitt. In 1985 was de regering van Thatcher bezig het onderwijssysteem naar hun hand te zetten, en liet Tebbitt zich over het vak Engels op de radio ontvallen: “If you allow standards to slip to the stage where good English is no better than bad English, where people turn up filthy … to school … all those things cause people to have no standards at all, and once you lose standards then there’s no imperative to stay out of crime.” Ergens in de tussentijd is de standaardtaal symbool geworden van positieve karaktertrekken, en het niet spreken van de standaardtaal symbool van negatieve karaktertrekken.

Taaldiscriminatie. De Amerikaanse taalkundige Rosina Lippi-Green stelt in haar boek English with an accent dat discriminatie op grond van taalgebruik nog de enige legitieme vorm van discriminatie is. Discrimineer op grond van etniciteit, geslacht, seksuele voorkeur, leeftijd, handicap enz. en je hebt naast de wet ook de hele sociale media achter je aan, maar als iemand een beetje een sterk lokaal accent heeft, is dat genoeg reden om hem belachelijk te maken. Het internet lacht lekker mee.

Variatie in taal staat niet op zich: het is een afspiegeling van variatie in de gemeenschap. Er is binnen de sociolinguïstiek discussie over de vraag of taal identiteit weerspiegelt of juist mede construeert, maar zelfs constructie van je identiteit door taalgebruik is alleen mogelijk omdat bepaalde taalelementen van tevoren al geassocieerd zijn met bepaalde sociale types. De link tussen taal en identiteit gaat niet alleen over voor de hand liggende sociale kenmerken zoals in het discriminatielijstje hierboven. Er is bijvoorbeeld ook bewijs voor verschillen in taal tussen democraten en republikeinen in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, het al dan niet houden van berggeiten in een dorp in Asturië en of je voetbal of football een interessantere sport vindt. Als we om iemands dialect lachen, lachen we eigenlijk om zijn andere sociale kenmerken: het is een plattelander, waarschijnlijk relatief minder hoog opgeleid, en minder bekend met de verworvenheden van de grote stad. (Vul hier uw verdere vooroordelen in.)

We mogen de link tussen taalgebruik en identiteit nog niet helemaal begrijpen, maar het moge duidelijk zijn dat je op een bepaalde manier praat omdat je republikein, geitenhouder of voetbalfan bent. Je wordt niet opeens voetbalfan omdat je op een bepaalde manier praat. Daarom ook kun je taalgebruik gebruiken om groepen (republikeinen, geitenhouders, voetbalfans) te identificeren. Dat is precies waar een sjibbolet vandaan komt: de Efraïmieten konden (net als overigens veel Nederlanders) niet duidelijk verschil maken tussen s en sj, zeiden dus sibbolet en moesten dat met hun leven bekopen. Het was niet echt een probleem dat ze de sj niet konden zeggen, wél dat dat hun ontmaskerde als Efraïmieten. Zo’n zelfde verhaal bestaat uit de jaren ’30 in Midden-Amerika, waar van communistische sympathieën betichte indianenstammen overgingen op het Spaans omdat hun eigen taal werd geassocieerd met anti-regeringsactiviteiten — en dat was levensgevaarlijk.

Terug naar de vraag. Taal is zonder twijfel een belangrijke indicator van tot welke groep iemand behoort. Maar vooralsnog lijkt het erop dat het daarbij blijft: een indicator van iets anders, een afgeleide. Het is goed mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat er in het Irakees Arabisch kleine maar belangrijke verschillen zijn tussen sjiïeten en soennieten — maar hun conflict zal een religieus conflict zijn, en niet ontstaan omdat één groep nét even iets anders praat dan de andere groep. Is een gemeenschappelijke taal een oplossing? Of het op de een of andere manier verdwijnen van taalverschillen tussen groepen? Waarschijnlijk ook niet: buiten dat taalverschillen ook nut hebben, doet het uitbannen van taalverschillen de sociale verschillen die ten grond liggen aan conflicten niet verdwijnen.

Dit stuk verscheen gisteren op het weblog van Remco Knooihuizen.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.