Hy wil aan Kindertjes, syn Heyl woord toe doen deelen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (30)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp


Het Nederlandse sonnet werd geboren in 1556. Over, laten we zeggen, de macrostructuur was daarna lange tijd weinig onduidelijkheid: veertien regels, onderverdeeld als twee keer vier en dan twee keer drie. Aan het rijmschema viel eventueel nog wat te morrelen.
Anders lag dat met de opbouw van de versregel. Daarover bestond in het begin allerlei onenigheid: moest je alleen klemtonen tellen? Of alle lettergrepen? Uiteindelijk kwam men uit op een Nederlandse versie van de Franse alexandrin: iedere regel heeft twaalf lettergrepen, of dertien, als de laatste een toonloze e heeft. Precies na de zesde lettergreep is er een pauze, een cesuur: de zesde en de zevende lettergreep vormen nooit samen een woord, of een al te nauw verbonden woordgroep.
In de loop van de zeventiende eeuw komt er een ander soort regelmaat in de regel: een afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Als die er eenmaal is, wordt de cesuur langzaam weggelaten. Zoals in dit sonnet van Geertruyd Gordon:


Wyse dwaasheid, gekosen voor de dwaase wysheid

  De Gods-geleerdheid op een Philosophse snee

En niewe snuf geset, mag spitse herssens streelen,
Die rede-kunstig sterk op keur van klanken speelen:
  Maar deelt aan ’t sieke hert de kern van troost niet mee
  De naakte eenvoudigheid, maakt veel gewisser tree
Op ’t pad der wysheid Gods, (Dat kanmen niet verheelen)
Hy wil aan Kindertjes, syn Heyl woord toe doen deelen:
  Wie hem behaagen wil, kiest dan het laatst van twee.
Waar toe hier ’t Seyl soo hoog en scherp in top te halen,
Daar God genadelijk soo laag tot ons wouw dalen,
  Op dat ons oordeel buyg voor syn Getuygenis?
De Schilder moet op ’t best sig sengen, die de Straalen
Van ’t ongeschapen ligt, vernuftig af wil maalen:
  Wy moeten niet verstaan ’t geen aan te bidden is.

Na iedere zesde lettergreep staat een spatie, maar de zinsbouw verzet zich af en toe wel tegen een rust.  Het kraste voorbeeld zit de eerste regel: ‘De godsgeleerdheid op / een filosoofse snee’. (Dichters zijn trouwens vaak onregelmatiger aan het begin dan aan het eind.)

Maar ook verderop zit er nog wel een: ‘Hy wil aan Kindertjes, / syn Heyl woord toe doen deelen’. De breuk tussen het meewerkend (‘aan kindertjes’) en het lijdend voorwerp (‘zijn heilwoord’) is meestal niet zo groot als hier, maar je zou kunnen zeggen dat het komt doordat kindertjes hier extra zware zinsklemtoon krijgt: het zijn nadrukkelijk niet de verstandige en volwassen filosofen die het heilwoord ontvangen.

Gordon versterkt dat effect nog op een paar manieren: door achter kindertjes een komma te zetten én doordat tjes op een plaats staat waar je eigenlijk klemtoon verwacht (namelijk net voor de cesuur). Doordat hij die niet krijgt, verschuift de klemtoon met volle kracht naar kind. Dat woord staat halverwege in de zevende regel, het is het woord waar het hele gedicht als het ware om draait

De tekst van dit sonnet heb ik overgenomen uit Het hart naar boven. Religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw, geredigeerd door Ton van Strien en Els Stronks. Amsterdam: Ambo/AUP, 1999. Met dank aan Olga van Marion. 

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.