Etymologie: zemel

Door Michiel de Vaan


zemel zn. ‘vlies van graankorrels’
Mnl. semele v. ‘vlies van graan, gruis’ (1240), ‘uit fijn meel gebakken broodje’ (1220–1240), semelen mv. ‘huidschilfers’ (1351), Vnnl. semel ‘meel van of met zemelen’ (1522), meestal mv. semelen ‘graanhulzen, gruis’ (1501). In het Ripuarisch dialect van het gebied Aken–Heinsberg betekent zieëmel ‘witbrood van meel waar nog zemelen in zaten, grijs brood’.
Verwante vormen: Mnd. semel v. ‘zemel’, Ohd. simila, semala ‘fijn tarwemeel’, Mhd. semel(e), simel(e), Mohd. Semmel f. ‘wit broodje’. Een Germaans leenwoord *similō- uit Latijn simila ‘fijn tarwemeel’. Het Italiaanse semola ‘meel van harde tarwe, griesmeel; zemelen’ (de bron van Frans semoule ‘griesmeel’) zet een Latijnse variant *simula voort. 
De oudste betekenis was dus ‘(een bepaald soort) meel’; de overgang naar ‘zemelen’ zal zich via ‘meel met zemelen erin’ voltrokken hebben.

Er lijkt een tegenstelling te bestaan tussen ‘fijn meel’ en ‘zemelen’. Maar de vertaling ‘fijn meel’ is bedrieglijk, want we mogen ons het Romeinse simila niet als ‘wit meel’ of ‘bloem’ voorstellen. Volgens Gutsfeld (2015) was het Romeinse meel in drie categorieën in te delen, met respectievelijk een laag, een iets hoger en hoog gehalte aan zemelen. Simila of similāgō viel in de middelste categorie. Zelfs de beste categorie (flōs ‘bloem’) had een voor onze begrippen donkere kleur. Het Oudhoogduitse simila, semila komt in glossen voor als vertaling van Latijnse begrippen als farina subtilis(sima) ‘fijn(ste) meel’, medulla tritica ‘het binnenste van de tarwe’, simila, en similago, en vertelt ons dus niet hoe fijn het meel in Oudhoogduitse tijd was. Door de zich steeds verbeterende maaltechniek zal semele in de loop der tijd soms geassocieerd zijn geraakt met het oudere, zemelhoudende meel (vandaar ‘zemelen’), en soms met het nieuwe product mee zijn geëvolueerd tot ‘wit meel’.

Latijn simila en Oudgrieks semī́dalis ‘fijn meel’ zijn ontleend uit een Semitisch woord met de structuur s_m_d, vgl. Akkadisch samīdu ‘fijnste tarwemeel’, samādu ‘malen’. Het motief voor de ontlening kan de overname zijn geweest van een andere tarwesoort (triticum durum ‘harde tarwe’) dan men in Italië al kende (dat was met name triticum aestivum ‘zomertarwe’). In de Oudheid maalde men harde tarwe tot griesmeel, maar veel fijner werd het niet (Nissen/Sallares 2015). De overgang van d naar l komt in meerdere Latijnse woorden voor, bijv. oleō ‘ruiken’ bij odor ‘geur’, lacrima ‘traan’ uit ouder dacrima.
Literatuur:
Gutsfeld, Andreas. 2015. “Mehl.” In: Der Neue Pauly. Herausgegeben von: H. Cancik, H. Schneider, M. Landfester. Brill Online, 2015. 

Nissen, Hans Jörg and Robert Sallares. 2015. “Getreide.” Der Neue Pauly. Herausgegeben von: H. Cancik, H. Schneider, M. Landfester. Brill Online, 2015.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.