Duyvel, Weerelt, Vleesch

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (23)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?
Door Marc van Oostendorp

Wie wil leren trommelen, krijgt al snel als oefening: sla met je ene hand regelmatig groepjes van drie (1-2-3-1-2-3) op de tafel, terwijl je met je andere hand even regelmatig groepjes van twee (1-2-1-2) slaat, en de 1en van beide handen tegelijk trommelen.
Je leert zo je handen te dissociëren. Het is vreselijk lastig, maar als het je lukt, is het ook heel verslavend. Justus De Harduwijn deed het in de tekst van zijn sonnet ‘Den Christelijcken mensche vveder-staet syn drye Vyanden‘ in Goddelicke Lof-sanghen. Bijna in iedere regel wordt wel een drieslag gemaakt: er wordt een rijtje van drie dingen genoemd:


 T’Sa Duyvel, Weerelt, Vleesch, schalck, toevelijck en quaet
Vertweeffelt, vleyt, en pijnt, mijn siel, hert, lijf, en letten:
Door schalckheyt, ydel vreughd, door al u boos opsetten
Gh’en krijght noch Siel, noch, Hert, noch Lichaem t’uwer baet.

U schalckheydt, u ghevleij, uwen onkuyschen raedt,
En verkeert, en verleydt, noch en vanght in haer netten
Mijn Gheloof, mijnen wil, mijn reynheydt vrij van smetten
Door Waen-schijn, ijdelheydt, of vleeschelijcke daedt.

Maer Siel, Hert, en Lichaem, hoe magh dit dogh gheschieden,
Dat listen, ijdelheen, en pijnen u-lier vlieden?
Iae dat ghe naer de zelf’ oock niet een zier en vraeght.

Ha God ‘tis u ghenae, tis uwen Gheest, en Zeghen
Die Duyvel, Weerelt, Vleesch, uyt Siel, Hert, Lichaem jaeght
Want sijt ghy my ontrent, wie zal ick hebben teghen.

Duivel, wereld en vlees. Schal, toefelijk en kwaad. Vertwefelt, vleit en pijnt. Ziel, hart en lichaam. Schalkheid, ijdel vreugd, boos opzetten. Schalkheid, gevlei, onkuise raad. Verkeert, verleidt, vangt. Geloof, wil, reinheid. Waanschijn, ijdelheid, vleeselijke daad. Listen, ijdelheden, pijnen. Genade, geest, zegen.

Dat alles staat in een vorm waarin het getal een belangrijke rol speelt. Iedere regel bestaat uit twee stukken van zes lettergrepen (met eventueel een extra onbeklemtoonde lettergreep na het tweede stuk). Zes is natuurlijk twee keer drie. En dat alles in een sonnet, dat bestaat uit twee kwatrijnen (van ieder twee keer twee regels) en twee terzinen (van ieder drie regels).

Er kan vast een theologische betekenis achter al die tweeën en drieën worden gevonden, maar mij interesseert iets anders: dat het getal drie zo aantrekkelijk is, dat het zo onbevredigend is. Tekstblog beschreef een aantal jaar geleden bijvoorbeeld drieslagen in de columns van Linda de Mol in haar eigen blad Linda:

  • Een scooter, een cabrio, designerjurkjes. Ik had het allemaal als kind.

Zo’n passage, die kán niet met minder of met meer voorbeelden:

  • Een scooter, een cabrio. Ik had het allemaal als kind.
  • Een scooter, een cabrio, een crossfiets, designerjurkjes. Ik had het allemaal als kind.
Twee voorbeelden zijn te weinig. Cruciaal daarbij is: je kunt er in dat geval niet eens mee verwijzen met allemaal; dat moet allebei zijn. Vier voorbeelden zijn er weer te veel. Drie is kennelijk het kleinste groepje: twee is geen groepje, maar een tweetal, vier heeft er een die niet echt nodig is om te laten zien dat je een groepje hebt.
En zo is het ook in het sonnet van De Harduwijn. Twee is het getal van enerzijds (God) en anderzijds (de zondige mens), en drie is het getal van de kleinst mogelijke massa. Hun doorlopende door elkaar lopen beschrijft de mens. 
Ah, zo heb ik de theologische betekenis toch nog achterhaald.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.