Een beslissing die niet meer kan worden teruggedraaid

Door prof. dr. Lut Missinne

De aangekondigde bezuinigingen van de Taalunie op het onderwijs Nederlands in het buitenland wekken onrust en verontwaardiging in binnen- en buitenland. Wie ook maar even vergelijkt met wat grote taalgebieden investeren in de internationale ondersteuning van hun taal en cultuur – zoals Duitsland via de DAAD (Deutscher Akademischer Austauschdienst) – kan hier alleen met ongeloof naar kijken. Een klein taalgebied als het Nederlandse  heeft er nog veel meer belang bij haar taal en cultuur in het buitenland via het onderwijs en via vertalingen te verspreiden en te ondersteunen. 
De Taalunie heeft altijd met trots verwezen naar de honderdduizenden die wereldwijd Nederlands leren. Ofwel meent zij nu dat die honderdduizenden dat met een veel geringere ondersteuning gewoon zullen blijven doen, uit enthousiasme, uit idealisme, uit passie een taal en cultuur – wat niets kost – ofwel vindt ze het niet erg dat het aanbod in de toekomst zal afkalven en acht ze het niet langer een belangrijke taak om het onderwijs van het Nederlands wereldwijd te ondersteunen. 

Toch zegt de Taalunie dat ze die studenten wil blijven motiveren om Nederlands te leren en “de waarde en het belang van het Nederlands in een internationale context” wil communiceren. Maar dat deze doelstelling slechts kan worden gerealiseerd door kwaliteitsvol onderwijs aan te bieden, door de nodige ondersteuning te bieden aan studenten en docenten om zich tot “ambassadeurs van het Nederlands” te ontwikkelen, door professionaliteit en didactische ervaring in een stabiele context te laten continueren, dat wordt over het hoofd gezien.


Argumenteren dat de taaldocenten in Midden- en Oost-Europa geen salaristoeslag meer zullen ontvangen omdat ook de docenten in Zuid-Europa dat zouden kunnen gebruiken – voor iedereen gelijk, er is niet genoeg, dus krijgt niemand wat – klinkt op het eerste gezicht redelijk, maar het blijft betekenen dat docenten in die gebieden tegen een maandloon van om en bij de 400 euro werken. Gelooft men werkelijk hiermee “kwaliteitsvol onderwijs Nederlands” te kunnen handhaven ? “Anders met minder middelen”, het klinkt mooi voor een sector die in weelde leeft, het klinkt bijzonder bitter voor docenten die voor een voltijdse baan een maandloon van 400 euro ontvangen of voor native speakers die wel les willen geven in Shangai, Tbilisi of Debrecen maar een hongerloon in het vooruitzicht zien. Zomerscholen niet meer in het taalgebied maar alleen op locatie organiseren, het is als vroedvrouwen opleiden met een online-cursus. 

De huidige situatie van het Nederlands in de wereld, de mogelijkheid om in meer dan 40 landen en aan 180 instellingen Nederlands  te leren, de wijdverbreide vertalingen van Nederlandse auteurs, het is het werk van meerdere decennia en van generaties van gedreven neerlandici in het buitenland. Om het maar eens in managerstermen te formuleren: wat de Taalunie nu van plan is, is een schoolvoorbeeld van kapitaalvernietiging. Het is bovendien een beslissing die straks niet meer kan worden teruggedraaid, want korte termijn investeringen in de cultuursector zijn een illusie. 

Talencentra in het buitenland “teruggeven aan de overheden” en hopen dat die overheden deze verder zullen ondersteunen, het is net zo naïef als het plan van de Vlaamse Cultuurminister Sven Gatz om de gemeenten te laten beslissen over het al dan niet behouden van openbare bibliotheken. Cultuur en taal zijn te belangrijk om ze aan de marktwetten over te laten. Dat weten de honderden docenten Nederlands in het buitenland, hopelijk zien ook de beleidsvoerders in Nederland en Vlaanderen dat in voor het te laat is. 
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , , . Bookmark de permalink.