Linguïstisch Miniatuurtje CLXI: Je kunt dit gerust geloven

Door Peter-Arno Coppen
In een artikel in Levende Talen Magazine uit 2013 bespreekt Jimmy van Rijt een les in taalbeschouwing naar aanleiding van het woord vertrouwbaar, dat een van de leerlingen spontaan had bedacht. De docent vond dit eigenlijk een vreemd woord, maar weerstond de neiging om het af te keuren, en nam het woord als aanleiding voor een taalbeschouwelijk onderzoekje. De leerlingen zochten het woord op in de woordenboeken (daar staat het in), en ze ontwikkelden een enquête die ze afnamen onder mensen op straat. Daaruit bleek dat mensen, in tegenstelling tot wat de leerlingen verwachtten, eerder kozen voor te vertrouwen dan voor vertrouwbaar, en dat leverde een mooi inzicht op voor de leerlingen in het verschil tussen norm, werkelijkheid en taalgevoel.
Echter, aan het einde merkte een van de leerlingen nog op dat ze het eigenlijk nog niet echt hadden gehad over het verschil tussen leesbaar, herkenbaar en vertrouwbaar: waar de eerste twee woorden heel gewoon waren, leek er toch iets aan de hand met het woord vertrouwbaar. Sommige mensen hadden een taalgevoel dat daar een beetje tegen in opstand kwam. Wat kon daar aan de hand zijn? Uiteindelijk bedachten docent en leerlingen dat misschien het bestaande woord betrouwbaar “in de weg zat.” Doordat betrouwbaar al gebruikelijk was, met de betekenis die je ook met vertrouwbaar zou bedoelen, was vertrouwbaar eigenlijk overbodig.
Ik zat daar laatst over te praten met Jimmy en een paar andere grammaticaonderwijsonderzoekers (of hoe zeg je dat), en wij bleven het ongemakkelijke gevoel houden dat hiermee niet het hele verhaal verteld was. Er bleef inderdaad iets knagen aan dat vertrouwbaar. Zelf had ik het idee dat het in principe een mogelijke woordvorming was (hetgeen natuurlijk alleen al bevestigd wordt door het feit dat het in de woordenboeken staat), maar toch kon ik wel meegaan in Jimmy’s gevoel dat het niet helemaal lekker zat.

We zaten een tijdje te speculeren wat dat gekke dan zou kunnen zijn: misschien de thematische betekenis van het onderwerp? Het onderwerp van lezen en herkennen is misschien “actiever” dan het onderwerp van vertrouwen? Maar dat vonden we eigenlijk ook weer niet zo geloofbaar (hee, die is ook minder!) Want het onderwerp van herkennen lijkt even weinig actief als dat van vertrouwen. Enfin, we kwamen er niet echt uit.
Thuis zocht ik het nog even na bij Schönfeld. Die heeft over elke woordvorming wel iets gezegd, en warempel, ook hierover. Hij merkt op dat de woordvorming op –(e)lijk en –baar qua betekenis verwant zijn, en dan zegt hij: “waar beide adjectieven naast elkaar voorkomen (b.v. onuitputbaar:onuitputtelijk, verkiesbaar: verkieselijk, onuitspreekbaar: onuitsprekelijk, onmeetbaar: onmetelijk), daar hebben die op –baar over ’t algemeen een meer letterlijke betekenis.”
Interessant! Het is niet meteen duidelijk wat hij bedoelt met dat ‘meer letterlijk,’ maar dat de vormen op –elijk ‘meer figuurlijk’ zijn, daar kun je je met de gegeven voorbeelden wel wat bij voorstellen. Maar schieten we daar nou iets mee op in verband met vertrouwbaar? Want naast vertrouwbaar heb je wel vertrouwelijk, wat inderdaad iets anders betekent dan ‘kan vertrouwd worden’ (eerder ‘moet in vertrouwen behandeld worden’), maar is vertrouwbaar daarmee ‘meer letterlijk’?
Bij nader inzien geloof ik dat ik begrijp wat Schönfeld bedoelt, of althans, waar die opmerking over ‘meer letterlijk’ mee te maken heeft. Ik kwam daarop door nog eens te bedenken wat nu precies de betekeniselementen zijn bij een “gewoon” geval als leesbaar. Daar zit ten eerste een passief betekenisaspect in (iets wat leesbaar is, wordt gelezen), maar daarbij komt dan nog een modaal betekenisaspect (het kan gelezen worden).
Naar analogie zou je zeggen dat wat vertrouwbaar is dan ook vertrouwd kan worden. Maar er lijkt mij een verschil tussen kan gelezen worden en kan vertrouwd worden. Bij leesbaar heb je de zuivere epistemische modaliteit: als je zegt dat iets leesbaar is, dan spreek je uit dat het mogelijk is dat het gelezen wordt. Bij vertrouwbaar zou dat een loze bewering zijn. Immers, het is theoretisch altijd mogelijk om iets of iemand te vertrouwen. Het kan bij vertrouwbaar dus niet om epistemische modaliteit gaan, het moet om een vorm van wenselijkheidsmodaliteit gaan. Als ik zeg dat je iemand kunt vertrouwen, dan heb ik het niet over de theoretische mogelijkheid, maar om mijn inschatting van de wenselijkheid om dat te doen: het is naar mijn mening verantwoord om zo iemand te vertrouwen.
Deze redenering gaat ook op voor de observatie dat het woord geloofbaar een soortgelijke rare sensatie geeft. Als je zegt dat iets geloofbaar is, dan bedoel je natuurlijk ook niet dat het alleen theoretisch mogelijk is om iets te geloven, je maakt een inschatting van de wenselijkheid om die keuze te maken. Je hebt daar dus ook meer een wenselijkheidsmodaliteit op het oog, waarvoor de woordvorming op ­–baar minder geschikt lijkt.
Misschien komt daar dus wel dat rare gevoel vandaan dat sommige mensen hebben: als je de woordvorming met –baar ­probeert op te vatten als epistemische modaliteit, krijg je een rare en niet bedoelde betekenis. Andersom, als je de wenselijkheidsmodaliteit bedoelt, dan is de woordvorming met –baar niet de geëigende manier om dat uit te drukken. Dan kun je dat beter doen door het neutralere kunnen te gebruiken (je kunt hem vertrouwen) of de constructie met te+infinitief (hij is te vertrouwen). Die beide vormen laten beide modale interpretaties toe. De woordvorming met –baar is voor sommigen per se epistemisch. ‘Meer letterlijk,’ zou Schönfeld zeggen.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Linguïstisch Miniatuurtje CLXI: Je kunt dit gerust geloven

  1. Frans Daems schreef:

    Het is een mooie vorm van taalbeschouwelijk onderwijs wanneer leerlingen gaan onderzoeken wat met een woord als ‘vertrouwbaar’ aan de hand zou kunnen zijn en hypothesetjes gaan uitproberen.
    Nu stel ik wel vast dat het verschil dat P.-A. Coppen tussen ‘leesbaar’ en ‘vertrouwbaar’ ziet, in feite ook geldt voor ‘betrouwbaar’, waar kennelijk geen probleem mee is in tegenstelling tot ‘vertrouwbaar’, althans vandaag, vroeger wellicht niet getuige de melding ‘verouderd’ in Van Dale.
    Een parafrase met ‘mogen’, in plaats van met ‘kunnen’, kan heel goed met zowel ‘betrouwen’ als ‘vertrouwen’, maar niet met ‘lezen’. Je kunt zeggen dat iemand of iets ‘mag worden vertrouwd / betrouwd’, maar ‘mag gelezen worden’ lijkt me geen goede parafrase van ‘leesbaar’.
    Zou er in ‘betrouwbaar’ dan wel een epistemische maar geen wenselijkheidsmodaliteit zitten, zoals Coppen lijkt te suggereren? Dat vind ik vreemd.
    Kortom, ik heb de indruk dat het definitieve antwoord over de vreemdheid van ‘vertrouwbaar’ nog niet gegeven is.

  2. Goed punt! Het voorkomen van 'vertrouwbaar' in de woordenboeken bewijst al dat het geopperde modale betekenisaspect dat per se epistemisch zou moeten zijn, niet door iedereen gevoeld wordt. Voor sommige (misschien: veel) mensen is er met 'vertrouwbaar' ook niets mis.

    Met andere woorden: zowel 'betrouwbaar' als 'vertrouwbaar' is ooit zo acceptabel geweest, met wenselijkheidsmodaliteit, dat het in de woordenboeken terecht heeft kunnen komen. Blijkbaar is 'vertrouwbaar' zo ongebruikelijk gevonden, dat het heden ten dage door sommige (misschien: veel) mensen als nieuwvorming wordt beschouwd, waardoor dat epistemische betekenisaspect zich sterker kan doen voelen. Bij 'betrouwbaar' zal dat niet zo snel gebeuren omdat (a) 'betrouwbaar' gebruikelijker is en (b) het werkwoord 'betrouwen' minder gebruikelijk is. Daardoor zal 'betrouwbaar' niet zo snel als een "letterlijke" afleiding van 'betrouwen' beschouwd worden.

Reacties zijn gesloten.