Fataalunie


Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd, dus dat zag er vanochtend heel vroeg al zonnig uit, toen ik het artikel van Taalunie-secretaris Geert Joris las. Zijn weerwoord op de kanttekeningen van Marc van Oostendorp bij het door hem ingezette Taalunie-beleid zouden namelijk om heel hard te lachen zijn, als ze niet zo triest waren

Van Oostendorps bezwaren waren kort gezegd gericht op het desastreuze korten op alle vormen van onderwijs in het Nederlands buiten het Nederlands taalgebied, ingezet en uigevoerd onder bewind van de nieuwe algemeen secretaris Geert Joris.

Joris antwoordt dus, in een artikel dat een klassiekertje mag worden in colleges Taalbeheersing van het Nederlands (intra- én extramuraal) met als thema: hoe maak je zelf een beeld dat een opponent van je neerzet alleen nog maar erger? Een relatief-niet-in-de-materie ingewijde als bovengetekende ziet in Joris’ verweerschrift namelijk álles bevestigd wat bij Van Oostendorp al bleek inzake het nieuwe Taalunie-beleid – in mijn eigen woorden samengevat: hier is een inhoudsloze rekenaar aan het werk, met géén visie op de Nederlandse taal en cultuur op zichzelf of op nut en waarde van verspreiding ervan. Het ergste daarbij is nog de aperte onwil om te gaan staan voor eigen beleid en dat desnoods tégen de keer uitvoeren.


Dit is een willing executioner.

Om dat vast te stellen volstaat het eigenlijk om Joris’ stuk te lezen. Niettemin sta ik even stil bij wat puntjes die er voor mij persoonlijk uitsprongen.

– ‘In 2012 beslisten de bevoegde ministers om de Taalunie grondig te vernieuwen. Daartoe werd geen inhoudelijke taalkundige aangetrokken, maar een manager met meer dan louter interesse voor de inhoud. Een generalist op het vlak van de inhoud, een specialist op het vlak van de organisatie

Zo introduceert Joris zichzelf en zijn taakstelling. Misschien mijn hang-up, hoor, als Nederlands letterkundige, maar waarom noemt hij als oorspronkelijk alternatief voor zijn eigen managersfunctie een ‘inhoudelijk taalkundige’? Zou de algemeen secretaris niet weten dat de naam van zijn club weliswaar Taal-unie is, maar dat de focus ervan Nederlandse taal én letteren (en trouwens nog het nodige in het verlengde ervan) is? Of zou hij misschien het verschil tussen een taal- en letterkundige neerlandicus überhaupt niet weten?

– ‘Voor de periode 2011 tot 2015 heeft de Taalunie twee opdrachten gekregen. Enerzijds werd een besparing opgelegd van 20 procent, anderzijds werden we verplicht om na te denken over onze doelstellingen en kerntaken.’

Onvermoed interessante passage, die eigenlijk de wortel van het hele probleem blootlegt. Joris formuleert dit elegant als ‘enerzijds/anderzijds’. De zin luidt dus – bewust? – niet als volgt: ‘Er werd een besparing opgelegd van 20 procent, dus werden we verplicht om na te denken over onze doelstellingen en kerntaken.’ Dát zou de insteek van het hele verhaal natuurlijk direct anders hebben gemaakt (‘we moesten wel…’) Maar dat zou natuurlijk weer helemaal niet heroïsch geoogd hebben voor een manager – die wil natuurlijk zelluf managen

Interessant dan wel weer dat een van de uitgangspunten van het beleid nieuwe ‘doelstellingen en kerntaken’ werd – en dat men daarvoor dus geen inhoudelijk geëquipeerd persoon voor aangetrokken heeft.

-Vervolgens gaat Geert Joris acuut in de hoogste versnelling – om op de argeloze lezer het ene retorische vragensalvo na het andere los te laten en dan wordt het ook meteen – ik kan het niet anders noemen – een schandelijke vertoning. Over het Erasmus Talencentrum in Indonesië, bijvoorbeeld. ‘Net zoals wij nu, kwam de Nederlandse overheid toen tot de conclusie dat talencentra openhouden geen opdracht is van de overheid. Daar heb je marktpartijen voor.’

De ‘conclusie’??? Een conclusie trek je op basis van feiten die je weegt en afweegt, waarbij je komt tot een beredeneerde uitkomst. Dat het niet-openhouden van talencentra geen overheidstaak zou zijn, maar iets voor ‘marktpartijen’ is natuurlijk helemaal geen ‘conclusie’, maar een politiek-maatschappelijke keuze, die je als hardcore-halbezijlstra best kunt willen maken, maar die je als algemeen-secretaris van de Taalunie te vuur en te zwaard dient te bestrijden.

– Dan zet Joris echt loodzwaar in op – ik zal geen woordgrapjes maken met zijn voornaam – populisme van het allerhoogste karaat:

‘Vandaag betalen de Nederlandse belastingbetalers bovendien elk jaar 300.000 euro (voordien zelfs ruim 400.000 euro) om in Indonesië bijvoorbeeld stewards, militairen, mensen die in het toerisme willen werken, zo goed als gratis een opleiding Nederlands te laten volgen. Leg dat eens uit aan werkzoekende Nederlanders die dure opleidingen moeten volgen om een baan te krijgen en die opleidingen (doorgaans) zelf moeten betalen. Je kunt je ook afvragen waarom de Indonesische overheid die taak niet op zich neemt, als ze dit instituut zo belangrijk vindt.’

Die goeierd van een Geert Joris! Het hart op de juiste plaats: bekommerd om het schrijnende onrecht het leger van kansloze Nederlandse werkzoekenden aangedaan door geld over de balk te smijten ten behoeve van talencursussen voor Indonesiërs. Eigen volk eerst, dat is wat ik – toch maar niet – zeg…

Je kunt je ook afvragen waarom Geert Joris geen algemeen-secretaris van de UWV is geworden, als hij de Nederlandse werkzoekenden zo belangrijk vindt.

Maar natuurlijk weet Joris dondersgoed dat die drie ton Euro een scheet van een apenootje zijn op een Rijksbegroting van ruim 250 miljard Euro (waarvan ruim 30 miljard voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap – ik kom voor dit bedrag dus uit op, ik geloof, zo’n vier nullen áchter de komma op de cultuurbegroting). En alsik dan ook even no-nonsense en louter zakelijk mag doen: wat zouden die in Indonesië geïnvesteerde 300000 Euro ons als Nederland opleveren aan inkomsten op het gebied van handel en toerisme?

– En zo rolt de ene onbewezen basisaanname over de ander platitude in dit verweerschrift van Joris.

Suppletie voor docenten Nederlands in het buitenland? ‘Ik zou dit feestje boycotten, als ik docent en moedertaalspreker was in Portugal of Griekenland. Want waarom krijgen zij dat extraatje niet?’

Lieve lieve mensen, zou Mies Bouwman zeggen, wat hart-ver-war-mend die betrokkenheid van Geert Joris! Niet alleen begaan met de Nederlandse werkelozen, maar ook met de moedertaaldocenten in de oost- en zuideuropese landen!

Gratis taalcursussen aanbieden aan buitenlandse studenten, dan? ‘De Taalunie verstoort als het ware de markt door gratis iets aan te bieden waar je normaal voor moet betalen.’ Mooi gebruld, neoliberale leeuw… of beter gezegd: braaf geblaat, neoliberaal schaap.

– Nog één voorbeeldje dan? Die taalcursussen voor buitenlandse studenten dan nog maar even.

‘Navraag in het veld leert dat de zomercursussen, die al langer bestaan dan de Taaluniezelf en die in al die tijd zo goed als onveranderd gebleven zijn, wellicht niet de beste manier zijn om studenten aan te zetten om de taal en de cultuur te leren. Studenten hoeven niet meer naar het taalgebied te komen om met het Nederlands in contact te komen zoals zestig jaar geleden: er zijn tal van moderne middelen om dagelijks Nederlands te horen en te spreken.’

Aha, Joris deed dit keer wel onderzoek voor zijn conclusies. ‘Navraag in het veld’. Navraag, maar liefst – in het veld, nog wel. Hij zegt alleen niet in wat voor veld. Knollenveld? Mijnenveld? Beneveld? Maar echt: waar gans academisch en hogeschool Nederland er anno 2015 van overtuigd is dat onze eigen Nederlandse studenten op alle gebied onnoemelijk veel opsteken van een buitenlandverblijf (mijn eigen universiteit streeft naar een half jaar gedurende de bachelor voor alle studenten), heeft Geert Joris wat nieuws ontdekt: Je Hoeft Tegenwoordig Helemaal Niet Meer Te Reizen.

Ik denk het ook, Geert, dat Internet gaat nog eens héél groot worden.

Zenks toe LOI ai ken spiek my grentsjildren in kenneda.

– ‘Maar ik wens niet meer te reageren op ongefundeerde meningen die geroepen worden aan de online cafétoog van de maatschappij.’

Parmantje Joris ‘wenst niet meer te reageren’. Je moet het lef toch maar hebben als afsluiter van een artikel waarin onbenul en onkunde om het hardst strijden om een eervolle eerste plaats.

Waar iemand met hart voor en kennis van zaken inzake het Nederlands cultuurgoed hier in moeilijke tijden had kunnen staan voor een zaak van belang, is het vakgebied getrakteerd op een slechtwillende amateur met MBO-boekhouden en wat neoliberale avondcursussen management-voor-beginners in zijn zak. Als ik cultuurbewindsman was, zou ik me in mijn handjes wrijven met zo’n gewillig slaafje.

Of, om te spreken met Gaston Burssens (dat is een Nederlandstalige dichter, Geert): ‘Het was om zich kapot te lachen, ik heb er haast bij geweend’.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Fataalunie

  1. HC schreef:

    Hoe kleintjes dit verweer is, moge blijken uit de aanzet: "Joris antwoordt dus, in een artikel dat een klassiekertje mag worden in colleges Taalbeheersing van het Nederlands …" Tja, dan hoeft het voor mij niet meer.

  2. Bert Cappelle schreef:

    Wat is er mis met zwierig schrijven? Trouwens, dit is helemaal geen verweer maar een kritíek op een verweer, in een grootse retorische stijl neergepend, met krachtige tegenargumenten. Dit mag voor mij best een klassiekertje worden, en dat is niet sarcastisch bedoeld.

  3. HC schreef:

    Zwierig? Veeleer hysterisch. Ik wil mijn zin best aanpassen ("Hoe kleintjes die kritiek is …"), maar wat daar het juiste woord zou moeten zijn, is naast de kwestie. Grootse retorische stijl? In der Beschränkung zeigt sich der Meister. Krachtige tegenargumenten? Als je begint met de zin die ik hierboven heb geciteerd, kondig je alleen maar aan dat je moet hebben van denigrerend uithalen, wellicht omdat je "argumenten", if any, alles behalve krachtig (genoeg) zijn. Veel spijkers op laag water, dat wel!

Reacties zijn gesloten.