Oude non-fictieteksten # 6: Een geschiedenisles uit de veertiende eeuw

Door Berthold van Maris


Hoe ontstaat een oorlog? Jan van Boendale beschrijft het zo, in zijn veertiende-eeuwse kroniek van het hertogdom Brabant:
“Die haet tusschen die twee wies 
In lanc soe meer, gheloeft mi dies, 
Soe dat ten lesten ute brac 
Dovermoet, die hen stac 
Int herte, in beiden siden, 
Soe dat si, ten lesten tiden, 
Orloghen ghinghen onderlinghe.”
Deze beschrijving van hoe een conflict zo kan escaleren dat men uiteindelijk gaat “oorlogen”, kun je gerust tijdloos noemen, ook al heeft Boendale het hier over een heel specifiek conflict dat zich rond 1300 voordeed tussen de heer van Valkenburg en de graaf van Gulik.
De vaderlandse geschiedenis van die tijd… Toen ik me daar als middelbare scholier in moest verdiepen, vond ik het een chaotische, onoverzichtelijke, ongrijpbare tijd. Je had de graven van Holland, Gelre en Vlaanderen, de hertogen van Brabant en Limburg, maar er waren ook koningen (van Frankrijk en Engeland) en keizers (van het Heilige Roomse Rijk). En dan waren er nog locale potentaten (zoals die heer van Valkenburg) en bisschoppen die zich als hertogen gedroegen (de bisschop van Luik bijvoorbeeld).
Hoe dat precies in elkaar stak, hoe dat politiek en militair werkte, wie tegen wie vocht en waarom, dat vond ik moeilijk te volgen. Ik begreep ook niet goed waarom ik me daarin zou moeten verdiepen.
Maar nu, veertig jaar na mijn laatste geschiedenisles, lees ik het “vyfde boec” van de “Brabantsche Yeesten” (yeesten = geschiedenis) van Jan van Boendale, en opeens verschijnt er voor mijn ogen een begrijpelijk en ook vrij overzichtelijk beeld van het machtsspel dat die hertogen, graven, koningen, keizers en bisschoppen in die tijd met elkaar speelden.
De “Brabantse Yeesten” beschrijft dat helemaal vanuit het perspectief van het toenmalige hertogdom Brabant: dat omvatte het gebied rond Antwerpen en Brussel en de Nederlandse provincie Noord-Brabant, en vanaf 1300 ook Belgisch en Nederlands Limburg.
De kroniek is geschreven door een man die helemaal op de hand was van de Brabantse hertogen Jan I, Jan II en Jan III. Een objectieve geschiedschrijving is het dus zeker niet. Maar wat geeft dat? De tekst geeft wel degelijk heel mooi en eenvoudig weer hoe het politieke spel in die tijd gespeeld werd. De details zijn ongetwijfeld vertekend. Maar de grote lijnen van dat machtsspel komen mooi uit de verf. Het draait allemaal om conflicten en allianties.
Het weefsel van bondgenootschappen en vijandschappen is steeds in beweging, het verandert voortdurend. De hertog heeft er een stevige dagtaak aan om dat allemaal in de gaten te houden en te managen. Bondgenoten kunnen vijanden worden, vijanden kunnen bondgenoten worden. In het ergste geval moet er militair geweld aan te pas komen, niet alleen om een conflict te beslechten maar ook om de rest van de onderdanen of rivalen te laten zien wie er de baas is. Oorlog is óók bedoeld als afschrikking. 
Jan I, bijvoorbeeld, wordt door Boendale omschreven als “edel”, “wijs” “goedertierne ende melde” (mild, barmhartig). Maar hij kon ook angstaanjagend zijn, “als hij echt kwaad werd” (“welken tijt hi wart erre”):
“Van al der werelt was hi ontsien; 
Hi hadde een vreesselic aensien 
Welken tijt hi wart erre: 
Dan hadde tvolc liever verre 
Te sine, dan hem bat naer.”
(bat naer = dichterbij)
De hertog moest voortdurend “sine pale setten” (letterlijk: zijn grenspalen in de grond slaan) en “sine pale behouden / bewaeren”.
Dankzij die macht kon hij ervoor zorgen dat het lange tijd rustig bleef in zijn gebied, en daar had iedereen voordeel van, maar soms moest hij juist laten zien hoe wreed en medogenloos hij kon zijn. Jan II, bijvoorbeeld, had een conflict met de stad Mechelen, die in zijn gebied lag en waar men te veel praatjes kreeg, en pakte toen flink uit:
“Die hertoghe wart gram hier omme 
Ende belach die stat al omme, 
Ende stac in die huuse den brant 
Die hi buten vesten vant”
Alle huizen die zich buiten de stadsmuren bevonden in brand steken zouden wij nu, met dank aan de Amerikanen, “shock and awe” noemen. Dat gebeurde alleen in het uiterste geval:
“En was noit here wel bedacht 
Die op stat om winnen vacht, 
Die hi hebben mochte sonder strijt.” 
Als je zonder vechten kon winnen, verdiende dat de voorkeur.
Minstens zo belangrijk als vechten en “oorlogen” was het sluiten van goede allianties met de machthebbers om je heen. Die bondgenootschappen gingen vaak gepaard met huwelijken. Er werd voortdurend strategisch getrouwd en uitgehuwelijkt. Bijvoorbeeld (het gaat hier om Jan III:)
“Desen derden Janne wart ghegheven 
Een wijf in sijns vaders leven, 
(Doen hi was een jonc kint, 
Ende van verstandenissen blint), 
Die hem bestont ten derden lede. 
Ic wane hire ane misdede 
Diet huwelic brachte toe; 
Maer die paus orlovet doe 
Dat voertghinc dit huwelijc. 
Haer vader hiet Lodewijc, 
Des conincs sone van Vrancrike.”
(bestond ten derde lede = was familie in de derde graad, orlovet = stond toe)
De kinderen die hier aan elkaar uitgehuwelijkt werden waren familie van elkaar (achterneef en achternicht). Daarom moest de paus toestemming geven voor dit huwelijk.
Jan III werd hiermee schoonfamilie van de koning van Frankrijk. Hij was al familie van de koning van Engeland:
“Dese jonghe Jan hadde, te waren, 
Twee die beste oudervadere 
(…)
Diemen vant in haren daghen, 
Ende die meer liede ontsaghen: 
Dat was Edewaert van Inghelant, 
Die over zee vacht metter hant, 
Ende die eerst Jan van Brabant.”
Het lijkt soms wel alsof alle West-Europese adel van die tijd verre of nabije familie van elkaar was. En soms gingen die verwanten toch weer met elkaar op de vuist. Boendale vertelt over een “ghespanne” (samenzwering) “dat XV lantsheren maecten op Brabant” (tégen Brabant dus):
“Nu soe gaetmen hulpen soeken 
Van lande te lande, van hoeken te hoeken, 
Soe dat xv lants heren 
Ieghen den hertoghe sweren, 
Die hem alle, met overmoede, 
Ontseiden van live ende van goede”
(…)
Nu merct, ende wilt leren, 
Dat meest dese grote heren 
Maghe ofte manne waren becant 
Des hertoghe Jans van Brabant; 
Die coninc van Bemen ende grave van Baren 
Beide sijnre moyen sonen waren; 
Gulicke ende Namen, dat verstaet, 
Waren hem in den derden graet; 
Ende meest die andere, dat ghijt wet, 
Waren hem maghe ofte manne met.”
(maghe = verwanten, manne = leenmannen, moye = tante)
Nog steeds leven we in een wereld waarin conflicten de kop op steken en waarin allianties moeten worden gesloten en gekoesterd. Dat gebeurt niet meer op die veertiende-eeuwse manier. We hebben nu de Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de Europese Unie, de NAVO, de Verenigde Naties.
Het ligt niet in de verwachting dat de provincie Groningen binnenkort in opstand komt en dat de Tweede Kamer daar dan het leger op af moet sturen. En er wordt in Europa ook niet meer aan huwelijkspolitiek gedaan.
Wat de vraag oproept: hoe wordt dat machtsspel nu gespeeld? Hoe worden conflicten beslecht en hoe worden allianties bezegeld? Want dat gebeurt nog steeds, maar met andere middelen.
Misschien moet je eerst begrijpen hoe macht vroeger, bijvoorbeeld in de tijd van Jan van Boendale, werkte, om goed te kunnen begrijpen hoe macht nu werkt.
Zo bezien is “Brabantsche Yeesten” een lesje “Macht voor beginners.”

“Brabantsche Yeesten” van Jan van Boendale is te lezen en te downloaden op dbnl.nl

Ik plaats iedere maand een collumn over het lezen van oude nonfictieteksten.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.