Een roodgeschilderde houten kraaiekop

door Gert de Jager
 

Het woord ‘aards’ gaan we veel tegenkomen in necrologieën. Maar neem dit gedicht:

Boodschapper mompelend tegen de boomtoppen

Boomtoppen! Jullie zijn zo hoog en mijn verzegelde
boodschap is leeggewaaid: van welk hof ik kwam en
naar welk hof ik vlucht, het is mij ontvallen… Je
zegel ben jezelf, roept een roodgeschilderde houten

kraaiekop tussen de dennen: was vast vogelschrik,
ooit. En het mos is mij welgezind, draagt lieflijk
groengouden kussen aan. Beekje trommelt. Blauw is
de zingende augustushemel die zwaluwen heft zonder

tal. In groene verten vallen brokjes geblaf onder
zacht stuivende pollen uiteen. Boodschapper was ik
zoals ook het ijzeroer een doel heeft. Zoals (…ver)

hondegeblaf het verjagen van dieven dient. O water!
Als jou te zijn… Boomkruinen, als jullie te zijn:
uitziend. Ik versmelt met mos, beek en hemelblauw.

Ik heb het gedicht overgenomen uit de bundel die ik bij de hand heb: de complete, drie delen tellen Laaglandse hymnen uit 2003. In de recente uitgave van Ter Balkts verzamelde gedichten, Hee hoor mij ho simultaan op de brandtorens, zal, neem ik aan, de spelling – kraaiekop, hondegeblaf – zijn aangepast.

Dat zal ongetwijfeld niet gelden voor de twee ongrammaticaliteiten in dit gedicht: “Je/ zegel ben jezelf” en “Als jou te zijn…” Als ‘jezelf’ het grammaticaal onderwerp is bij ‘ben’ zullen de meeste taalgebruikers tussen ‘je-‘ en ‘-zelf’ een spatie zetten. Wanneer het water wordt aangesproken, moet ‘jou’ eigenlijk ‘jij’ zijn.

In De gong en de rookberg, zijn fraaie studie van Laaglandse hymnen, laat Piet Gerbrandy zien dat een liefhebber van ouderwets structuralisme heel wat kan vinden in de bundel. Overal duiken cyclische en parallelle verschijnselen op: in de bundel als geheel, maar ook in de afzonderlijke gedichten. Zes pagina’s ruimt Gerbrandy in om ze in dit gedicht te beschrijven. Een ‘op het eerste gezicht rommelig gedicht’ blijkt ‘een solide constructie’ te zijn. In de ongrammaticaliteit van ‘jou’ ziet Gerbrandy een reminiscentie aan Gorters Verzen uit 1890. Ook daarin probeert een lyrisch subject te versmelten met ‘de vloeiende, organische wereld van het landschap’.

Het lyrisch subject dat we hier vinden is een laatmiddeleeuwse boodschapper die de wereld der mensen achter zich laat. Een verdwaalde vogelverschrikker en uiteenvallend hondengeblaf zijn de enige waarneembare tekens van de maatschappelijke orde. Eens was het subject zo dienstbaar als ‘ijzeroer’: aan de oppervlakte liggend ijzererts. Ik weet niet of Gorter per se nodig is om de objectvorm ‘jou’ gemotiveerd te laten zijn: wie water aanspreekt, ziet iets voor zich dat hij zelf niet is. Ook de ontbrekende spatie in ‘jezelf’ is in de eerste strofe al een aanwijzing voor enige problematiek als het om identificatie en zelfidentificatie gaat. Gerbrandy ziet in de regel ‘Je zegel ben jezelf’ een verwijzing naar de eigen verantwoordelijkheid van de boodschapper voor wat hij is kwijtgeraakt, maar het duidt misschien hier al op zoiets als egoverlies. Wat verzegeld is, blijft geheim.

Wat zonder meer verschilt van Gorters Verzen is de toonzetting van Laaglandse hymnen. In rond de tweehonderd gedichten wordt ons het menselijk bedrijf in de Lage Landen voorgeschoteld: vanaf de Steentijd tot ‘1991 en later’. Aan het woord is een zeer herkenbare, vaak woedende en verbeten spreker – in de woorden van Gerbrandy:

De gedichten lijken allemaal gegenereerd door één instantie, één herkenbare man die, ondanks de opsplitsing in personages, niet geprobeerd heeft zijn stem te verdraaien. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat die man een persona van de dichter zelf is.

Wat die persona zeker niet nastreefde is de maatschappelijke onthechting van een boodschapper die tegen de boomtoppen loopt te mompelen. Dat de werkelijkheid van de Lage Landen het niet mogelijk maakte op de wijze van de boodschapper te vervloeien met een organische wereld, leidde niet alleen in deze bundel tot teleurstelling en verbetenheid. Het maakt van Boodschapper mompelend tegen boomtoppen een sleutelgedicht. Aan het minst aardse in Laaglandse hymnen laat het aardse zich afmeten.


Piet Gerbrandy, De gong en de rookberg; intrigerende materie van H.H. ter Balkt en Jacques Hamelink, Groningen 2011. Via het register zijn de citaten makkelijk te vinden; het laatste citaat op p.464.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.