De neerlandistiek: een echt vak

Door Marc van Oostendorp


De neerlandistiek, dát is pas een vakgebied! Dat is de strekking van een lekker dwars artikel van Gert-Jan Johannes in het nieuwe boek The Practice of Philology in the Nineteenth Century Netherlands. Johannes neemt er het ontstaan van de neerlandistiek voor zijn rekening, en komt tot een opvallende conclusie: we mogen dan tegenwoordig wel denken dat de betavakken pas echte vakken zijn, met hun eigen methodologie en nauw omlijnde vakgebied, maar eigenlijk zijn dat maar de knotwilgen onder de disciplines. Juist de historisch gegroeide kronkeligheid en veelvormigheid en voortdurende wendbaarheid maakt van geesteswetenschappen zoals de neerlandistiek pas een echt vak.

Johannes laat zien dat die veelvormigheid er vanaf het begin bewust is ingebracht. De eerste officiële hoogleraar Nederlands, Matthijs Siegenbeek (1774-1854) had formeel alleen de Nederlandse welsprekendheid tot leeropdracht, maar hij was vastbesloten het daar niet bij te laten en nam allerlei taal- en letterkundige onderwerpen ter hand.

Pas in de loop van de negentiende eeuw werden er pogingen gedaan om het vak ‘wetenschappelijker’ te maken.
Dit gebeurde vooral door het te laten aansluiten bij de in die tijd internationaal zeer sterk opkomende historisch-vergelijkende (Indo-Europese) taalwetenschap: een neerlandicus moest Gotisch en liefst ook Sanskriet leren om iets waard te zijn, en hield zich vervolgens vooral met Middelnederlandse teksten bezig.

Verdacht

Toch bleef het vak altijd flexibel – het is bijvoorbeeld sinds het midden van de negentiende eeuw altijd op de een of andere manier verbonden gebleven met het schoolvak, en volgens Johannes werd het ook duidelijk door die verbintenis beïnvloed. Hij wijst erop dat veel literatuuronderzoekers schoolboeken schreven en taalkundigen zich met de spellingwet bleven bemoeien ook al was het wetenschappelijke primaat allang verschoven van de geschreven naar de gesproken taal. Bovendien deden neerlandici hun best om leesbaar te blijven schrijven.

Dat is allemaal wel een wat rooskleurig beeld van het vak. Dat er al sinds decennia geen geleerden meer zijn die in hun publicaties de grenzen van de verschillende subdisciplines overstijgen, maakt de gedachte dat de neerlandistiek zo’n modeldiscipline wel een beetje verdacht. Het is vooral in zijn breedte een mooi studiepakket voor bachelor-studenten. Bovendien blijven de willekeurige grenzen van het vak (waarom Nederlands? waarom je onderzoek laten ophouden bij door de politiek bepaalde landsgrenzen? en waarom alleen taal- en letterkunde en geen andere cultuurvormen?) bij menigeen knellen.

Maar dat doet alles natuurlijk weinig af aan het mooie portret dat Johannes schetst van het vakgebied.

Huismus

Zoals de hele bundel van Van Kalmthout en Zuidervaart interessant is om te lezen. Iedereen heeft natuurlijk zijn eigen voorkeuren – ik sla meteen het hoofdstuk open waarin Jan Noordegraaf op zijn karakteristieke heldere manier uiteenzet hoe de taalkunde in de loop van de eeuw weggroeide van de filologie, en hoe taalkundigen ook steeds nadrukkelijker begonnen te stellen dat ze géén taalkundigen waren – maar eigenlijk zijn alle hoofdstukken interessant. De geschiedwetenschap staat bijvoorbeeld van alle subdisciplines voor mij het verst weg, maar de biografische schets die Jo Tollebeek maakte van de gezworen huismus Jo Fruin, die de eerste hoogleraar geschiedenis in Leiden werd maar ondanks al zijn gestudeer nauwelijks publiceerde, is om te smullen.

Samen laten de studies vooral zien hoe de filologie – in de renaissance waarschijnlijk de belangrijkste en meest wetenschappelijke van alle wetenschappen – in de negentiende eeuw door een veelvoud van nieuwe wetenschappelijke inzichten uiteen wordt gescheurd. Alleen in de studies van individuele talen en literatuurgeschiedenissen blijft er nog iets van een eenheid bestaan. Of we die restanten nu nog steeds als hét toonbeeld van wetenschappelijke disciplinevorming moeten zien of niet, samen geven de bijdragen aan deze bundel ook stof tot overdenken voor wie de tegenwoordige woelingen in het onderzoek probeert te overzien.

Ton van Kalmthout en Huib Zuidervaart (red.) The Practice of Philology in the Nineteenth Century. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2015. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.