Addenda EWN: jouwen

Door Michiel de Vaan

jouwen ww. ‘beschimpen’

Vroegnieuwnederlands jouwen ‘beschimpen’ (1609, Willem Jansz. Buys en Jacob Lenaertsz, Sommighe leerachtighe geestelijcke liedekens), bejouwen (1615), en uytjouwen (1647). De beginklank verschijnt als di- bij de Antwerpenaren Willem Ogier (bediouwen 1639, uytgediout 1680) en Peeter Vloers (bediouwen 1659), vergelijk daarvoor het ontstaan van tja uit ja.
Het ww. is afgeleid van de uitroep van vreugde, verwondering of spot iow! (1569), jouw! (1573), jou! (1585), die ook als mannelijk zn. gebruikt kan worden (eenen iouw geven). Voor Amersfoort is in de jaren 1650 de variant sjouw overgeleverd (bron: Willems 1936). Interessant is ook den jouschoot ‘het winnende schot’ (1592, Handvesten der Stad Leyden). Daar jouschoot al in de 16e eeuw in Leiden voorkomt, en de varianten sj- en di- al in de 17e eeuw en in het noordelijk Nederlands, is de veronderstelling van Blancquaert en Tavernier-Vereecken uit 1949, nl. dat de Zuidnederlandse uitroep jou, sjouw, zjouw ‘raak!’ uit Noordfrans jo ontleend zou zijn, van de hand te wijzen.

Verwanten: Middelhoogduits , uitroep van vreugde, waarvan Mhd. jūwen ‘jubelen’. We kunnen dus ook voor het Nederlands een uitroep * reconstrueren, die in het Brabants en Hollands dezelfde ontwikkeling tot jou doormaakte als in nou tegenover Vlaams nu en Vnnl. dou ‘jij’ tegenover du. Er zijn nog verschillende andere afleidingen van de uitroep *. Bij de de Mhd. variant jūch! horen Ned. juichen en Mhd. jūchezen > Nhd. jauchzen. Met een l-suffix zijn afgeleid Ned. juilen, joelen, Engels jowl en Oud-IJslands ýla. Tenslotte wijzen Vnnl. juiten en Mhd. jūwezen ‘juichen’ op een afleiding *jū-atjan- (het suffix *-atjan- was productief in iteratieve werkwoorden).
De uitroep * heeft mogelijk al in het Proto-Indo-Europees bestaan, getuige Latijn iūbilāre ‘jubelen, roepen’, Oudgrieks uitroep van verbazing. Maar het is ook denkbaar dat dit onafhankelijke formaties zijn. Immers, voor uitroepen van afkeer en bewondering worden meestal de meest extreme klinkers van het systeem (i, a, u) gebruikt, vergelijk hedendaags ieuw ‘jakkes’.
Literatuur:
J.H.J. Willems. 1936. ‘Jou(w), sjouw; besjouwen, besjouwing.’ De Nieuwe Taalgids 30, 417–418.
E. Blancquaert en C. Tavernier – Vereecken. 1949. ‘Onder Nederlands jouw! en jouwen schuilt een Gallische haan’. Handelingen van de Konkinklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 23, 201–220.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.