Addenda EWN: spreeuw en spraaien

Door Michiel de Vaan

spreeuw zn. ‘zangvogel’ (sturnus vulgaris)
Middelnederlands sprewe (1287), Nnl. spreeuwe (1562), spreeu (1608). In de zeventiende eeuw komt daarnaast het ww. spreeuwen ‘bespotten’ voor, dat naar het geschetter van spreeuwen verwijst. Als spreeuw of een variant daarvan komt de vogelnaam voor in West- en Zuidnederlandse dialecten.  Daarentegen vertonen het Oost-Nederlands en aangrenzende dialecten van Duitsland meestal de vorm spraa(n), sprao(n), wat overeenkomt met Mnl. spra ‘een vogel, lijster’ (1477, Nederrijns). 
Verwante vormen: Oudhoogduits sprāa, sprēa f., Mhd. sprae, Vroegnieuwhd. Sprehe ‘spreeuw’. De vogelnaam is waarschijnlijk afgeleid van het ww. spraaien ‘sproeien, strooien’ en slaat op de gespikkelde veren (zie plaatje). Gronings sprotter ‘spreeuw’ is verwant met sproet en vertoont dus dezelfde betekenisontwikkeling. Vergelijk de alternatieve Mnl. benaming sterre, Duits Star, Engels starling, die mogelijk met het woord ‘ster’ verwant is.

De meeste Nederlandse dialectvormen van het type spreeuw gaan terug op Oudnederlands *spraiwōn-, terwijl het type spraa(n) en de Duitse vormen wijzen op Westgermaans *sprē-ōn-. De klinkervariatie tussen *sprai- en *sprē- is uitzonderlijk,  maar er is geen reden om expressiviteit of substraat aan te voeren als oorzaak. Aangezien spraaien ‘besprenkelen’ uit *sprē-an komt, kan spraa(n) als *sprē-ōn- ‘de gespikkelde’ verklaard worden. De ai van *spraiwōn- kan op verkorting uit *-ēj– berusten (zie het geval blein ‘blaar’ bij blaaien ‘opblazen’), zodat we dit woord als *sprēj-wōn- kunnen reconstrueren. Dat is een Oudnederlandse afleiding van de stam spraai-.
spraaien ww. ‘sproeien, strooien’
Mnl. spreue ‘strooi’ (gebiedende wijs; Nederrijn, 1250). Verder spraien, sprayen (1330) ‘sproeien, sprenkelen, strooien, verstrooien’, bespraien (1276–1300) ‘besprenkelen’. Spraaien en bespraaien sterven na 1600 uit, mogelijk omdat ze in veel dialecten samenvielen met spreien dat uit spreiden was ontstaan.
Verwante vormen: Mhd. spræwen, spræjen ‘verstrooien’, daarbij Oudengels spreáwlian ‘spartelen’, MoE sprawl ‘wijd uitlopen; spartelen’ als frequentatief werkwoord met l-suffix. Mnl. spreue komt overeen met Mhd. spræwen, en Mnl. spraien met Mhd. spræjen. Westgermaans *sprēan ‘sprenkelen, verstrooien’ kreeg soms een w en soms een j als hiaatdelgende klank tussen de twee klinkers.

Een verwante Ned. woord is sproeien waarover later meer.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.