De Frans Timmermans van de zeventiende eeuw

Door Marc van Oostendorp

Talen spreken is niet in de mode. Natuurlijk, wanneer je toevallig met wat vrienden in Tocharië bent, waarderen zij het wanneer jij een rondje in het Tochaars bestelt, maar verder kun je in de meeste gezelschappen maar niet aankomen met de genoegens van Catalaanse les, of met een mooi spreekwoord in het Swahili. Afgezien van Frans Timmermans spreekt een beetje intellectueel alleen Engels, en sommigen is zelfs dat teveel. (Eerder dit jaar maakten enkele lieden aan de Universiteit van Amsterdam zich druk over wat colleges die in het Engels gegeven worden. Ik schreef daar al eerder over.)

Nee, dan Constantijn Huygens. Zoals Cristopher Joby voorrekent in zijn boek The Multilingualism of Constantijn Huygens kende Huygens acht talen: Nederlands, Frans, Latijn, Grieks, Italiaans, Spaans, Duits en Hebreeuws. Weliswaar kende hij ze niet allemaal even goed, en lag de nadruk duidelijk op de eerste drie, maar hij draaide er aan de andere kant zijn hand niet voor om ook aan andere Nederlanders in het Frans of het Latijn te schrijven.

Dat alles betekende niet dat Huygens niet hartstochtelijk van zijn moedertaal kon houden, en zelfs niet dat hij niet als een groot voorvechter van diezelfde moedertaal bekend stond.

Carrière

Joby’s boek is een genoegen om te lezen, wanneer je van talen houdt: een zeer zorgvuldige reconstructie van de veeltaligheid van een bijzonder individu in de zeventiende eeuw. Hoe en wanneer leerde Huygens al die talen? (De meeste in zijn tienerjaren, met een leraar; maar Engels lijkt hij bijvoorbeeld op eigen houtje in Engelnd te hebben opgepikt — het was in die tijd nog niet echt een begeerlijke taal.) Tegen wie gebruikte hij welke taal? (Aan vrouwen schreef hij vaak in het Frans, want dat was vaak de enige taal die een ontwikkelde vrouw geleerd had.) En gaf hij die talen door aan zijn kinderen? (Wel aan zijn zoons, vooral de begaafde Constantijn Jr. en Christiaan, maar niet aan zijn dochter, die immers aan Nederlands en Frans wel genoeg had.)

Constantijn Huygens was de Frans Timmermans van de zeventiende eeuw: hij leerde heel veel talen, en al die talen kwamen hem goed van pas in zijn carrière als diplomaat.

Gulle omarming

Ondertussen was het Nederlands bijna even belangrijk voor Constantijn Huygens als Constantijn Huygens voor het Nederlands. Hij droeg bij aan de ontwikkeling van de standaardtaal, maar schreef ook in minstens twee dialecten — het Haags en het Antwerps — op een manier die moedertaalsprekers overtuigde. Hij mengde talen en dialecten voor de grap, of om een preciezer effect te bereiken, of om een band met zijn gehoor, dat dezelfde taal sprak, te bevestigen.

Bij dat alles valt vooral het onbekommerde genoegen op — het plezier in het eigen vermogen om de eigen taal te spreken en andere talen te veroveren, om in al die talen brieven te schrijven en te dichten en wie weet ook te spreken, het ontbreken van iedere angst dat een taal eronder lijdt wanneer je ook een andere goed kent, de gulle omarming van het dialect naast het klassieke Grieks. The Multilingualism of Constantijn Huygens is iets wat we in het huidig tijdsgewricht best kunnen gebruiken.

Christopher Joby. The Multilingualism of Constantijn Huygens (1596-1687). Amsterdam: Amsterdam University Press, 2014. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.