Die Muur, was dat ook een Taalmuur?

door Jan Stroop
Door alle aandacht die ’t 25-jarig jubileum van de Val van de Berlijnse  Muur krijgt, komt bij mij de herinnering boven aan ’t  Colloquium ‘Dialect and Standard Language’ dat in Amsterdam plaatsvond, aan de Vrije Universiteit, van 15-18 oktober 1990, dat wil zeggen nog geen jaar na de val van die muur.
Aan dat congres nam ook deel Professor Dr. Helmut Schönfeld,  lid van de Akademie der Wissenschaft der DDR. Die hield een voordracht over ‘Dialekt, Umgangssprache und Standardsprache auf dem Gebiet der ehemalige DDR im 20. Jahrhundert’. Het enige wat in zijn lezing herinnerde aan de actuele toestand was dat ‘ehemalige’ in de titel.

Waarschijnlijk had Schönfeld zijn tekst al lang van te voren geconcipieerd, want pas op ’t eind van zijn voordracht van 14 bladzijden (blz. 256-269), hoorden we waar we op zaten te wachten: een opmerking of een visie op de actuele taalsituatie, namelijk dat twee taalgebieden die tevoren hermetisch van elkaar afgescheiden waren, opeens volledig en op alle niveaus contact met elkaar hadden.
Schönfeld eindigde zijn lezing met een oproep: ‘Die Sprachwissenschaftler sollten die Entwicklungen und aber auch die Einflüsse der enstehende Länderstruktur auf die Regionalsprache und ihre Verwendung systematisch untersuchen. Damit müsste möglich bald begonen werden.’ Tijdens de discussie sloeg hij een nog dramatischer toon aan:  We zijn  eigenlijk al te laat, want ’t gaat razendsnel.

De Berlijnse situatie was ook volstrekt uniek. Nergens ter wereld is er ooit een stad geweest die zo radicaal in tweeën verdeeld werd dat de beide helften  totaal geen contact met elkaar konden hebben. Die toestand heeft bijna dertig jaar geduurd, van 1961-1989.  En in één klap kwam daar een eind aan. Sedert eind 1989 waren de Oost-Berlijners als een vloedgolf West-Berlijn binnengestroomd. Dat moest wel gevolgen hebben voor de taal.

We zagen al een visioen voor ons, van een taalontwikkeling die veel spannender zou zijn dan de Hollandse expansie in de zeventiende eeuw. Toen gingen veranderingen met het tempo van trekvaart of postkoets, de veranderingen in Berlijn zouden wel eens een sneltreinvaart kunnen hebben, dachten we. Fonologische en syntactische veranderingen die in West-Berlijn al lang  plaatsgevonden hadden zouden in Oost-Berlijn grif worden overgenomen.

Niet andersom, want volgens de wet van Kloeke, zou het prestige van West-Berlijn de richting van de taalverandering bepalen. De Oost-Berlijners voelden zich de mindere van de bewoners van West-Berlijn en dat zou zich in taal vertalen. Aanwijzingen daarvoor had Schönfeld  al in de zomer van 1990 waargenomen. Daarnaar gevraagd gaven Oost-Berlijnse jongelui te kennen dat ze de taalvaardigheid en de bekwaamheid in het gebruik van de Standaardtaal van West-Berlijnse jongeren als positief en wenselijk beoordeelden.

De Val van de Muur zou ook niet alleen invloed hebben op het Berlijnse dialect, was de verwachting, maar ook op de Standaardtaal, ’t Hoogduits  Niet alleen op de eigenschappen van die twee taalvariëteiten, maar ook op hun verhouding ten opzichte van elkaar. Welke van de twee heeft prestige en behoudt die dat ook?  
Er is sinds 1990 onderzoek gedaan, in de eerste plaats door Helmut Schönfeld zelf. In zijn publicaties richtte hij zijn aandacht op de woordenschat. Dat was ook een dankbaar object met die door de Oost-Duitse politiek gecreëerde terminologie: ‘Politjargon und Worthülsen’.   
We hebben een nieuwe lexicon nodig, schreef de Oost-Duitse Berliner Zeitung  in 1991. Wie heeft toch die belachelijke kinderachtige afkortingen bedacht: Trabi, Ossi, Wessi, KITA (‘kinderdagverblijf’). Ik voeg daar de beruchte Vopo aan toe. Het echte politieke jargon verdween overigens wel als sneeuw voor de zon. 
Schönfeld constateerde dat er in ’t alledaagse taalgebruik helemaal niet zoveel verschillen waren. Klassieke Berlijnse woorden als schwofen ‘dansen’,  Kneipe‘kroeg’ en Keule  ‘broer’ komen in vergelijkbare percentages in West en Oost voor. ’t Zijn oudere woorden die in beide stadsdelen blijkbaar in gebruik gebleven zijn. Bij nieuwe woorden die positieve waardering uitdrukken zijn de verschillen groter. Dat zijn vaak modewoorden die snel opkomen en even snel weer verdwijnen. Sommige van die woorden komen uitsluitend of voornamelijk in West-Berlijn voor: dufte en schnieke, andere alleen in het Oosten: fetzt en fetzig. Ook weer niet altijd, want o.k., show en flippenworden aan weerskanten gebruikt, alsof er geen Muur geweest was (Peter Schlobinski, 2009).
In fonologisch opzicht verschilt ’t Berlijnse ‘metrolekt’ van de standaardtaal (in het Oosten meestal ‘Hochdeutsch’ genoemd) vooral door deze taalveranderingen:  
[g] ˃ [j], bijv. gut ˃ jut, gelb ˃ jelb, Geld ˃ Jeld
[ei] ˃ [e:], bijv. klein ˃ kleen, Beine ˃ Beene
[au] ˃ [o:], bijv. laufen ˃ loofen , kaufen ˃ koofen , auch ˃ ooch
[-er] ˃ [-a], bijv. Bäcker ˃ Bäcka, Butter ˃ Butta
[ɪҫ ]  [ɪk], dus:  ich ˃ ick/icke, dat ons herinnert aan Franz Biberkopf, de hoofdpersoon uit de tv-serie Berlin Alexanderplatz uit 1980 van Rainer Werner Fassbinder.
Uit de Examensarbete Berlinisch heute. Zur Verwendung der Berliner Metrolekt unter Jugendlichen im ehemaligen Osten und Westen der Stadt 23 Jahre nach dem Fall der Mauer (2009) van Heike Tollefors blijkt dat er onder die jongeren nauwelijks verschil in kennis van de Berlijnse kenmerken bestaat. Maar of ze ze ook gebruiken en dat op dezelfde manier wordt niet duidelijk ook al suggereert de term ‘Verwendung’ dat wel.
Tot aan 1989 werd er in Oost-Berlijn op alle niveaus dialect gesproken, ook in de politiek en in het onderwijs, ook op radio en tv.  De Standaardtaal werd ervaren als te formeel en gekunsteld. Kinderen werden in ’t dialect opgevoed. Terwijl in Oost-Berlijn het dialect prestige had, verloor ’t in ’t Westen steeds meer aanzien. Het dialect werd gestigmatiseerd.
Na de Val van de  Muur was dat voor de Oost-Berlijners een teleurstellende ervaring. In 1996 meldt een studente uit Oost-Berlijn: ‘In de disco in West-Berlijn voel ik me helemaal niet op mijn gemak. Ik word onzeker en durf geen mond open te doen, omdat ik me geremd voel. In het Westen praten ze heel anders. Je merkt ’t aan ’t Hoogduits. Wij ‘berlinern’ veel sterker’ (Schönfeld 1996).
Wat opvalt aan het onderzoek van de taalsituatie in Berlijn na de Val van de Muur is dat het uitsluitend gebeurd is met behulp van vragenlijsten. Was er in Berlijn maar zoiets geweest als ’t Meertens Instituut, dat met bandrecorders op pad gegaan zou zijn. Dan hadden we geweten en kunnen horen of het metrolekt en eventueel ook het Hoogduits in Oost-Berlijn door de Val van de Muur zijn gaan veranderen.
Wat weten we nu wel over die ‘Entwickelungen…. auf die Regionalsprache‘?
Dat ’t Oost-Duitse lexicon opgeschoond en aangepast is en dat ’t gebruik van ’t dialect in Oost-Berlijn ook sterk aan het afnemen is. Maar van het visioen dat Helmut Schönfeld in 1990 opriep, heb ik niets kunnen terugvinden.

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Die Muur, was dat ook een Taalmuur?

  1. DirkJan schreef:

    Het is jammer dat er geen onderzoek is gedaan naar taalveranderingen met een bandrecorder, maar er zal toch voldoende materiaal voorhanden zijn van radio en televisie?

  2. Jan Stroop schreef:

    Vind ik ook. Er zullen wel opnames bestaan, maar voor goed onderzoek heb je nodig: opnames van spontane gesprekken,van alle twee de kanten van de Muur, uit de periode voor en die na de Val. Bij voorkeur ook van verschillende leeftijdsgroepen en verdeeld over mannen en vrouwen.

    Dat is een illusie dat zo'n onderzoek nog mogelijk is, denk ik

Reacties zijn gesloten.