De theorie van het weglaten

Door Marc van Oostendorp


Veel vragen hoef je niet met een volledige zin te beantwoorden. Wanneer iemand je bijvoorbeeld vraagt: ‘Schijnt de zon?’ en het is midden in de nacht, dan hoef je niet te zeggen: ‘Nee, de maan schijnt’. Het werkwoord kun je weglaten: ‘Nee, de maan’ is een prima antwoord.

Maar nu komt het. Stel dat iemand de observatie doet ‘De maan schijnt’. Dan zou je ter verklaring kunnen antwoorden: ‘Allicht, de zon schijnt’. Maar dan kun je het werkwoord schijnt niet weglaten. ‘Allicht, de zon’ is een rare zin om te zeggen.

Waarom kan het in het ene geval wel en het andere niet? Onder andere daarover gaat het proefschrift waarop Enrico Boone over ongeveer een maand in Leiden hoopt te promoveren en dat sinds deze week online staat. Hij draagt daarin nog weer eens overvloedig bij aan de theorie over het weglaten van woorden – een verschijnsel dat mij blijft verbazen.

Zo vergelijkt Boone die onvolledige antwoorden met weggelaten werkwoorden in zinnen als de volgende:

  • [1] Albert kust Beertje en Carel Diana. [goed]
  • [2] Ik weet dat Albert Beertje kust en Carel Diana. [goed]
  • [3] Albert kust Beertje omdat Carel Diana. [uitgesloten]
  • [4] Albert kust Beertje en ik weet dat Carel Diana. [uitgesloten]
De laatste twee zinnen zouden makkelijk te begrijpen zijn wanneer iemand ze zou zeggen; maar niemand zal ze ooit zeggen, want daarvoor klinken ze raar. 
De reden is dat er in de zinnen 3 en 4 een evenwichtigheid is tussen Albert kust Beertje en Carel kust Diana die in de zinnen 1 en 2 ontbreekt. In 1 zijn het twee hoofdzinnen, en in zin 2 bijzinnen die zijn ondergeschikt aan dezelfde hoofdzin (ik weet). In zin 3 staat daarentegen CkD in een bijzin onder AkB, en in 4 is hij ondergeschikt in een bijzin die zelf parallel is met AkB.

Overigens gaat het hierbij eerder om een soort logische inbedding dan om strikt syntactische. Het voegwoord want leidt normaal gesproken een hoofdzinsvolgorde in (Ik ben boos want jij ben dom en niet …. want jij dom bent), en toch kun je zin 5 niet zeggen:
  • [5] Albert kust Beertje want Carel Diana. [uitgesloten]
Je mag dus kennelijk alleen woorden weglaten bij parallellie. En dat verklaart volgens Boone ook het verschil tussen de twee dialoogjes:
  • [6] Schijnt de zon? Nee, de maan. [goed]
  • [7] De maan schijnt. Allicht, de zon. [uitgesloten]
Het antwoord op een vraag in 6 staat op hetzelfde niveau als de vraag. Maar in 7 wordt in de tweede zin een verklaring gegeven, en die verklaring wordt kennelijk geïnterpreteerd als ingebed, op dezelfde manier waarop want een zin inbedt. Het is alsof er staat Allicht, want de zon schijnt. Want kun je daarbij kennelijk nog wel weghalen, maar schijnt echt niet.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op De theorie van het weglaten

  1. Edwin den Boer schreef:

    Het zou me niet verbazen als je over tien jaar wel "Albert kust Beertje want Carel Diana" kunt zeggen. Tegenwoordig zeggen jongeren immers gerust "Albert kust Beertje want dronken" of "Albert kust Beertje want eindfeest", wat tien jaar geleden erg ongewoon was.

Reacties zijn gesloten.