Een stukkie over kissies die gekaapt zijn

door Jan Stroop
In de titel boven deze tekst staan twee woorden die je in deze vorm niet vaak in geschreven taal zult tegenkomen. Stukkie dan nog wel een enkele keer, bijvoorbeeld als het gaat om een product van de tekstverwerker. Carmiggelt noemde z’n kronkels zo. In romans en verhalen die in volksbuurten spelen, van o.a. Brusse, Querido en Heijermans, kom je kissies tegen, maar alleen als er spreektaal weergegeven wordt.
Google levert bij kissie maar twee hits op, alle twee gezongen. ‘t Stijfselkissie van Zwarte Riek (‘M’n wiegie was een stijfselkissie’) en een ander speciaal kissie van Nico Haak: ‘Honkie tonkie pianisie met je sinasappel kissie’ (spelling voor zijn rekening). Bij kassie als verkleinwoord van kas of kast is de Google-oogst al even klein: de combinatie kassie kijken, voor tv kijken, en als naam voor een dobbelspel: kassie-zes.

Kissie, kassie en soortgelijke vormen behoren kennelijk tot volkse, informele spraak, al dan niet gezongen. Geschreven kom je ze zelden tegen, althans tegenwoordig, want in brieven uit de 17e en 18e eeuw worden vormen als stukkie, kissie en kassie volop gebruikt. Dat wordt duidelijk uit het artikel ´Small but tough´ van Judith Nobels, dat verscheen in een recent nummer van ´t tijdschrift Taal en Tongval. Nobels heeft haar gegevens uit het corpus Brieven als Buit, waarover op Neder-L. al
eerder geschreven is.
Zoals inmiddels wel bekend is, zijn die brieven afkomstig van Nederlandse schepen die door de Engelsen gekaapt waren. De briefschrijvers zijn bijna allemaal afkomstig uit Holland en Zeeland. De brieven zijn al die  jaren bewaard in Engelse archieven, onlangs aan het licht gekomen en nu voorwerp van onder andere taalkundig onderzoek. Nobels is vorig jaar gepromoveerd op zo´n onderzoek.
Haar artikel is een uitwerking van een deel van haar proefschrift, namelijk hoofdstuk 8, dat gaat over de verkleinwoordvorming. In de onderzochte periode blijkt er een enorme variatie in spelling te hebben bestaan. In totaal heeft Nobels 63 schrijfwijzen van het verkleiningssuffix aangetroffen. Die heeft ze herleid tot drie hoofdtypes:  -ke  (wijfken),  -je (glaesje) en -ie (pakkie).

Gezien de toenmalige schrijfcultuur is de spelling van verkleinwoorden als briefie niet altijd eenduidig. De i-spelling  werd ook gebruikt voor de halfvocaal j als in jaar. Om zeker te zijn dat met de spelling -ie inderdaad de klank -ie bedoeld was en niet -je, heeft Nobels bij elke brief de schrijfpraktijk van de ‘auteur’ bekeken. Heeft ie zijn ie-spelling in alle gevallen alleen maar gebruikt waar de spraakklank ie in een woord aanwezig is? En gebruikt ie de j alleen voor de j? Als ie overal schrijft brief, dief, lief, dan staan er in briefie dus twee ie’s, is de conclusie.

Vreemd genoeg heeft Nobels geen gebruik gemaakt van een veel sterker argument: de schrijfwijze van verkleinwoorden met korte klinker, stuk, kas, kist en dergelijke. Van kas komen twee spellingen voor:  kassie en kasje; van stuk ook:  stukkiesen stukje. Bij kist zijn er drie vormen:  kistje, kisje, kissie. Dit is ook de volgorde van hun gedaanteveranderingen. In al deze gevallen geldt dat de spelling met twee s’en, kissie,  en twee k’s, stukkies, pakkie, alleen maar kan betekenen dat met ie het suffix ie bedoeld is. Willem Kuiper heeft me daar op attent gemaakt. 
Die –ie-variant is ontstaan uit -je, zoals dat in Hollandse dialecten ook gebeurd is bij de tweede persoon enkelvoud: komje ook? wordt daar kommie ook?  Op zich niets bijzonders dus. Maar wat wel bijzonder is, is dat de ie-variant in deze brieven voorkomt en daarna weer verdwijnt, althans in de geschreven taal. Nobels heeft in haar onderzoek het gebruik van de verschillende varianten van het suffix gekoppeld aan vier variabelen: regio, leeftijd, sociale klasse en sekse. 
Van de twee hoofdtypes is het suffix met een k, -ken e.d., het oudst. Het nieuwe –je is ontstaan doordat de articulatieplaats van de k, achter in de keel, naar voren schoof. Dat –jeblijkt het eerst voor te komen in Noord-Holland. Van daaruit heeft -je zich zuidwaarts en op den duur tot in Zeeland verspreid. Dat -ke ouder is dan –je is ook af te leiden uit de cijfers van de verdeling ervan over de verschillende leeftijdsgroepen. De vormen op –ke worden meer gebruikt door de oudere schrijvers dan door jongere. 
Ook verdeling naar sociale klasse geeft verrassende informatie. Het oude ‘klassieke’ suffix –kewordt het meest gebruikt door de hoogste klasse. Dat zal niemand verbazen die zich realiseert dat die klasse meestal behoudend van  aard is. Die houdt blijkbaar ook vast aan oude schrijfconventies, wat niet wegneemt dat ook het nieuwere suffix -je bij die klasse veel voorkomt. Maar de nieuwste variant -ie ontbreekt hier volledig, terwijl dat juist ’t meestgebruikte suffix in de brieven van de lagere klasse is. Mannen met de minste schrijfervaring en dat zijn die uit de lagere klassen gebruiken meer -ie dan -ke of -je.
Het opmerkelijkst is de plaats van de vrouwen. Die scharen zich wat hun schrijfpraktijk bij de verkleinwoorden betreft bij de mannen uit de midden en lage klassen: ze gebruiken meestal -ie. Oorzaak is dezelfde: ze zijn niet vertrouwd met de toenmalige schrijfconventies. Ze schreven kennelijk zoals ze praatten, in elk geval op dit punt. Ze schreven niet alleen kissie, stukkie, kassie, glaesie enzovoorts, ze zeiden dat ook. Maar hoe was dat bij de mannen van de hogere klasse? Gebruikten die bij het spreken wel dit suffix -ie, maar hielden die zich bij het schrijven aan de conventies, die kistje, kastje, stukje, glaasje voorschreven? Of spraken ze ook zo?  
Waarschijnlijk is dat gebruik van -ie in de informele spreektaal bij sprekers van alle rangen en standen veel algemener geweest. Alleen wie niet beter wist, schreef ook kissie. Terwijl dat -ie met 43% in de buitgemaakte brieven het meest gebruikte suffix was, heeft die schrijfgewoonte niet doorgezet. Het heeft op grote schaal zelfs terrein verloren. In ‘neutrale’ schrijftaal van tegenwoordig komt -ie niet voor. Op Twitter las ik onlangs ’n tweet van Onze Taal: ‘Als je nu lid wordt …..krijg je vier tijdschriften én een boekje samen voor € 17,50’.  Als daar had gestaan:  én een boekie, hadden we toch raar opgekeken.

Zelfs het gebruik bij het spreken lijkt vergeleken met de praktijk in de 17e en 18e eeuw te zijn afgenomen en dat gebruik heeft bovendien ook zijn beperkingen. Wijfie, broekie, pikkie, boekie, briefie, stukkie zeg je niet altijd en ook niet tegen iedereen.

Dat een informele taalvorm die tegelijk een vernieuwing is en vooral door vrouwen wordt gebruikt, niet doorzet, komt zelden voor. Meestal wordt zo’n vorm juist populair. Misschien komt daar nu verandering in dank zij ’t epidemische gebruik van selfie. Dat is dan wel geen Nederlands verkleinwoord, maar het heeft er alle schijn van. 

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , , . Bookmark de permalink.