Romaans aan de Rijn: enkele Romeinse plaatsnamen in Nederland


Door Peter Alexander Kerkhof
Universiteit Leiden

Romeinen in Nederland

Op school leert iedere Nederlander dat er Romeinen in Nederland zijn geweest. Het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden herbergt prachtige sporen van deze vroegere aanwezigheid: van sarcofagen tot votiefaltaren, van sieraden tot zelfs een vergulde helm. Rond het begin van onze jaartelling richtten Romeinen aan de rivier de Rijn de rijksgrens, de limes, in en bouwden verscheidene legerplaatsen. De hedendaagse plaatsen Utrecht en Nijmegen zijn om deze oude Romeinse vestingen heen gegroeid. Maar wat niet veel Nederlanders weten is dat de taal van de Romeinen ook een tijd in Nederland gesproken werd. Deze taal werd sowieso door de Romeinse soldaten en handelaren gesproken, maar wellicht waren er zelfs hele gemeenschappen die zich van de Romeinse spreektaal bedienden. De taalgrens tussen het Romaans en Germaans lag misschien in de derde eeuw na Christus niet in België, maar in Nederland! Daar moeten we dan wel bij bedenken dat bezuiden de rivieren van oudsher ook een andere taal gesproken werd. Deze taal noemen we het Gallisch, een Keltische taal die verwant is aan het Iers en het Welsh. In de eerste eeuwen na Christus gaven de Galliërs geleidelijk hun eigen taal op en schakelden over op de taal van de Romeinen.

Romaanse leenwoorden

De taal van de Romeinen wordt veelal Latijn genoemd, maar in de late dagen van het Romeinse rijk was het verschil met het Klassieke Latijn zo groot geworden dat zij meer naar het Frans en het Spaans ging neigen. Historisch-taalkundigen spreken vanaf dat moment van het Romaans. De aanwezigheid van de Romeinen in Nederland is vooral duidelijk uit de vele woorden die onze voorouders uit hun taal hebben geleend. Voorbeelden hiervan zijn ‘brief,’ ‘straat’, ‘mijl’ die gemakkelijk met Latijn brevis, strāta en mīlia te verbinden zijn. Sommige woorden zijn moeilijker te herkennen als Latijn, zoals bijvoorbeeld ‘voogd’ dat uiteindelijk een verwant vindt in het Latijnse advocatus en ‘spiegel’ dat afstamt van Latijn speculum. Van oudsher worden al deze leenwoorden ‘Latijnse leenwoorden’ genoemd. Het woord ‘voogd’ en ‘spiegel’ laten echter zien dat er nogal wat verschil zit tussen het Latijnse woord en de vorm in het Nederlands. Dit verschil is niet vanuit de geschiedenis van het Nederlands te verklaren, maar wel vanuit de geschiedenis van het Romaans. In het Gallo-Romaans, wat we ook wel Pre-Frans kunnen noemen, zijn de Latijnse woorden veranderd in *vogado en *spieglo. Dit lijkt al een stuk meer op het Nederlands. Daarom zijn er tegenwoordig steeds meer taalkundigen die van ‘Romaanse leenwoorden’ spreken.

Romaans in plaatsnamen

Een plek waar we natuurlijk de taal van de Romeinen het duidelijkst tegenkomen is in plaatsen die door de Romeinen zijn gesticht. Een mooi voorbeeld is de plaatsnaam Utrecht wat een Oudnederlandse ontlening is van de Gallo-Romaanse naam *trajéhto ← Lat. ultrajectum. In de Vroege Middeleeuwen hadden de Germaans-sprekende bewoners van het gebied echter een andere naam voor Utrecht en noemden de stad Wiltaburg, de burcht van de Wilten. De Romaanse plaatsnaam kan behouden zijn gebleven door de rivierhandel met het Romaans-sprekende Rijn- en Moezelland. Ook de installatie van het bisdom (late 7e eeuw na Chr.) dat vanuit het Gallo-Romaans-sprekende Wallonië door de vroege Karolingen gesteund werd, kan de herintroductie van de Romaanse naam bevorderd hebben.

Gallisch *brogilos

In Zuid-Nederland vinden we plaatsnamen die lijken op een mengeling van Romaans en Gallisch. Zo zijn er redelijk wat plaatsen die een element briel bevatten, bv. Briele, Briel, den Briel. Dit element briel is van oorsprong Gallisch en herkennen we in Gallisch *brogilos/*bragilos ‘omheind weiland, bosland’ dat verwant is met Welsh bro en Iers mruig [mruγj] ‘land’ (Beekes 2000: 55). In Nederlandse plaatsnamen lijkt het element briel ‘(omheind) stuk nat, met struikgewas begroeid land’ te betekenen en is ook bekend in de nevenvorm bruul en bruil. Een directe ontlening van Gallisch *brogilos zou echter Nederlands breugel opleveren. Dat woord vinden we ook in Nederlandse plaatsnamen terug (bv. Breugel) en is de oudere vorm. De vormen briel en bruul lijken daarentegen van een jongere Gallo-Romaanse  vorm af te stammen waarin Gallo-Romaanse /g/ tussen klinkers in /j/ is veranderd, i.e. Gallo-Romaans *brajil > Oudnederlands breilo/briele, Gallo-Romaans *brojil > Oudnederlands *bruil (zie ook De Vries 1971: 86; Lloyd e.a. 1998: 368-70). De Germaans-sprekende Franken ontleenden deze woorden dus uit een soort Pre-Frans. Zo leveren de plaatsnamen met het element briele een mooi bewijs voor het bestaan van een gesproken Romaans in onze gebieden.

Romaans aan de Rijn

De plaatsnamen met Briel- en Bruil- vinden we in Vlaanderen en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden. Dit zijn gebieden waarvan we weten dat de Romeinen er veel invloed hebben gehad. Maar zijn er dan ook sporen van gesproken Gallo-Romaans in plaatsnamen die wat centraler in Nederland liggen? Ik denk dat we (behalve de plaatsnaam Utrecht) een mooie kandidaat in de veldnaam De Moft hebben. Deze naam komen we het eerst tegen in een diploma van de Oost-Frankische keizer Otto III (996 na Chr.) als Moffet waar het naar een bos nabij Nijmegen verwijst. Uit een votiefinscriptie uit de Romeinse tijd weten we dat de bewoners van Nijmegen enkele eeuwen daarvoor moedergodinnen vereerden die ze mopates noemden. De connectie tussen de mopates uit de Romeinse tijd en de Oudnederlandse veldnaam Moffet> Nederlands Moft is al eerder gemaakt (Birkhan 1970), maar de vorm levert problemen op. Er is beweerd dat de vorm mopates de Eerste Germaanse klankverschuiving heeft ondergaan (Pre-Germaans *p, *t, *k > Germaans *f, *th, *h, zie Okken 1982: 28-29). Dat is zeer onwaarschijnlijk want deze klankverschuiving is A) zeer oud en B) het is onbegrijpelijk waarom de /t/ in mopates  dan niet de verschuiving naar *th heeft ondergaan. Deze problemen kunnen opgelost worden door aan te nemen dat de naam *mopat- in Gallo-Romaans *moƀad- is ontwikkeld. De Germaanse substitutie van Romaans *ƀ → West-Germaans *f (denk aan Romaans *taƀula > West-Germaans *tafal ‘tafel’) en de Germaanse eindverstemlozing doen dan de rest, West-Germaans *mofad > Oudnederlands *mofat.

Het Nederlandse Romaans en zijn ondergang

Waar werd dit Nederlandse Gallo-Romaans dan gesproken als de stammen benoorden de Rijn Germaans spraken en veel stammen bezuiden de Rijn Gallisch? Het hart van het Nederlandse Gallo-Romaans moet waarschijnlijk op de Gallo-Romeinse landgoederen in het rivierengebied gezocht worden. De komst van de Romeinse grensgarnizoenen betekende dat er aanzienlijke landbouwoverschotten nodig waren om de duizenden soldaten te voeden.  De Keltische en Germaanse boeren stapten niet zo snel over op de Romeinse manier van landbouw en konden dus niet de benodigde hoeveelheid proviand leveren. Het ligt daarom voor de hand dat Gallo-Romaanse boeren uit het zuiden werden aangetrokken om de landgoederen te beheren die noodzakelijk waren voor het onderhoud van het Romeinse leger (Kooistra 1996: 9-11). Deze situatie duurde voort totdat de Franken, een volkenconfederatie uit Midden-Nederland en West-Duitsland, in de vierde eeuw het Romeinse rijk binnenvielen. De archeologie leert ons dat veel Gallo-Romaanse landgoederen in die tijd verlaten werden. Toen later ook het Romeinse leger verdween, verdween ook de Romaanse taal. Het enige dat achterbleef waren de landgoederen en de Gallo-Romaanse namen die zij droegen. De binnenvallende Franken namen kennelijk in sommige gevallen de Gallo-Romaanse plaats- en veldnamen over, zoals de gevallen van Briel en Moft ons leren. Het bemerkenswaardige hieraan is dus dat er tot de vierde en vijfde eeuw een vroeg soort Frans in het huidige Nederland werd gesproken.  Dit Pre-Frans moest uiteindelijk wijken voor de taal die de voorouder van het Nederlands is, namelijk het Oudfrankisch ofwel Oudnederlands.
Peter Alexander Kerkhof
———————————————————————————————
Peter Alexander (Peter Alexander) Kerkhof
Research- and teaching associate (PhD candidate)
p.a.kerkhof@hum.leidenuniv.nl
Leiden University Centre for Linguistics
Eyckhof 3/1.03b 2311 BV Leiden
Bibliografie
Beekes, R.S.P.
2000    “Keltisch in Nederland” Kelten in Nederland, Rijcklof Hofman, Bernadette Smelik, Lauran Toorians eds., 43-65.
Birkhan, Helmut
1970    Germanen und Kelten bis zum Ausgang der Römerzeit; der Aussagewert von Wörtern und Sachen für die frühesten keltisch-germanischen Kulturbeziehungen, Österreichische Akademie der Wissenschaften; Philosophisch-historische Klasse Sitzungsberichte band 272, Wien.
De Vries, Jan
            1971    Nederlands Etymologisch Woordenboek, Brill, Leiden.
Gysseling, Maurits
1960    Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) deel I A-M, Bouwstoffen en Studiën voor de geschiedenis en de lexicografie van het Nederlands VI. 1, Belgisch Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek.
Kooistra, Laura I.
1996    Borderland farming: possibilities and limitations of farming in the Roman period               and Early Middle Ages between the Rhine and Meuse, proefschrift, Gouda.
Lloyd, Albert L. & Rosemarie Lühr & Otto Springer
1998    Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen band II bî – ezzo, Vandenhoeck & Ruprecht, Götingen, Zürich.
Okken, Lambertus
1982    “Vorstudien zu einer Vor- und Frühgeschichte der Sprachen in den Niederlanden. Daten der frühen Siedlung” Amsterdam Beiträge zur älteren Germanistikband 18, 1-62.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.