De economische wetenschap en de taalkunde spreken elkaar tegen

Door Marc van Oostendorp
In het nieuwe nummer van Language, waarschijnlijk het belangrijkste taalkundige tijdschrift ter wereld, staat een kort, verontrustend artikel: de economische theorie en de taalkunde kloppen niet met elkaar! Wanneer de ene juist is, is de ander op drijfzand gebouwd. Ze zijn gebaseerd op ideeën over de werking van de menselijke geest die niet met elkaar te verzoenen zijn.
Het komt allemaal door de theorie van de endogene groei. Die theorie, die kennelijk de laatste decennia absoluut dominant is in de economische wetenschap, is bedoeld om een probleem van de klassieke economie op te lossen: hoe is het mogelijk dat in de afgelopen eeuwen het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking in allerlei landen is toegenomen, terwijl de omvang van de bevolking bleef stijgen en de natuurlijke hulpbronnen gelijkblijven?
De endogene-groeitheorie zegt dat die groei komt doordat de mensen steeds nieuwe ideeën genereren – technologieën bijvoorbeeld, of betere manieren om een bedrijf in te richten. Die ideeën zijn een veel sterkere motor van vooruitgang dan bijvoorbeeld aardappelen of vaten olie. Wanneer ik een mud bintjes aan jou geef, heb ik dat mud niet meer. Maar als ik jou een idee vertel, heb ik dat idee zelf ook nog steeds.


Hersentjes

Bovendien, zeggen die economen, hebben die ideeën nog een eigenschap die ze heel aantrekkelijk maakt als economische bron: ze zijn onuitputtelijk. We kunnen er steeds meer ideeën bij verzinnen. De groei kan dus almaar doorgaan, of we dat nu leuk vinden of niet.

En dat is nu het punt waarop het misgaat, volgens Geoffrey Sampson, de schrijver van dit artikel. Taalkundigen zijn over het algemeen geneigd om te menen dat het menselijk denken onderhevig is aan biologische beperkingen: gegeven de eindige complexiteit van onze hersenen kunnen we niet zomaar alles bedenken. Zoals een rat te dom is om te begrijpen wat de laatste stelling van Fermat is, zo zijn er vermoedelijk ook allerlei zaken die wij nooit zullen begrijpen met onze kleine hersentjes.

Honderdduizend jaar

Ik vraag me af of dit echt een algemeen aanvaarde gedachte is in de taalwetenschap, maar ik aanvaard hem in ieder geval. Toch lijkt hij me niet echt in tegenspraak met wat die economen denken. Dat onze hersenen slechts een beperkte capaciteit hebben en dus uiteindelijk maar een eindig aantal verschillende dingen zullen kunnen bedenken, betekent niet dat het aantal van die dingen niet heel erg groot kan zijn.

Misschien blijken we volgende week ineens het punt te bereiken waarop niemand meer iets nieuws kan bedenken, maar misschien is dat moment ook pas over honderdduizend jaar aangebroken. In dat laatste geval kan ik me voorstellen dat je in je economische modellering nog een heel eind komt met de idealisering dat het aantal ideeën oneindig is.

Pessimistisch

De taalkundigen hebben, kortom, gelijk, maar de economen hoeven zich daar mogelijk voorlopig niet zoveel van aan te trekken.

Sampson geeft een aantal citaten waaruit een verschil in cultuur blijkt tussen taalkundigen en economen. Chomsky wijst er ergens op dat het in theorie mogelijk is dat de tijd van de grote wetenschappelijke doorbraken voorbij is, dat het belangrijkste waartoe we in staat zijn nu eigenlijk wel bedacht is; de bedenker van de endogenegroeitheorie Paul Romer die zegt dat ons wetenschappelijk inzicht nog eindeloos kan groeien. Maar dat heeft niks te maken met fundamentele aannamen van de twee vakgebieden, er blijkt alleen uit dat Chomsky pessimistischer is dan een gemiddelde econoom. What else is new.


Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.