Turks en Nederlands door elkaar: ‘Belki öyle yaparın ik zie wel’

Door Marc van Oostendorp

Ik ben niet taalvaardig genoeg voor codewisseling. Oh, ik spreek heus wel een mondje over de grens, maar zodra mensen talen door mekaar gaan gebruiken sla ik dicht. Ik heb het al wanneer in een gezelschap waarin iedereen, zeg, Engels spreekt, iemand ineens een zin in het Duits tegen me zegt. Dan  overvalt me een vreemde gêne die ik niet goed plaatsen kan en weet ik niet wat ik terug moet zeggen al is het maar omdat ik niet weet in welke taal ik dat moet doen.

Je moet twee talen wel heel goed beheersen om binnen één zin een paar keer te kunnen wisselen. Een van de wonderlijkste vormen van de menselijke taalvaardigheid is dat. In Nederland en Vlaanderen wordt hij vertoond door bijvoorbeeld jonge Turken en Marokkanen die dingen zeggen als:

  • Ja belki öyle yaparın ik zie wel. (Ja misschien doe ik het zo ik zie wel.)
  • – O zaman onu da şapmamız gerekiyo yani ik weet niet ik vind het best wel moeilijk. (Dan moeten we dat ook doen, ik bedoel ik weet niet ik vind het best wel moeilijk.)

We weten allang dat deze codewisselingen niet voortkomen uit het willekeurig door mekaar gooien van woorden uit twee talen. Er zit altijd systeem in, gevoeligheid voor de grammatica’s van allebei de talen. Daarom is het zo moeilijk te doen als je beide talen niet tot in de puntjes beheerst.

De voorbeelden hierboven komen van een artikel dat Derya Demirçay en Ad Backus schreven over Turks-Nederlandse codewisseling. Ze laten zien dat alles toch weer net wat ingewikkelder in elkaar zit dan we dachten.

Meestal worden er drie soorten onderscheiden. De eerste soort is codewisseling voor beginners: je gebruikt in een zin in de ene taal een woord of een (kleine) woordgroep uit de andere taal. Zelfs ik doe dat wel eens (‘Ik heb dat for its own sake gedaan.’)

De tweede mogelijkheid is dat je compleet van de ene taal in de andere over gaat. Hier is een voorbeeld met Marokkaans Arabisch:

  • Maar ’t hoeft niet li’anna ida eft ana… (Maar ’t hoeft niet want als ik het zie, ik…)
De derde vorm lijkt een beetje op de tweede, maar heeft een scharnierwoord, een woord waarvan het onduidelijk is uit welke taal het komt. Het Nederlands en het Fries hebben allebei het woord wat dat in het volgende fragment fungeert als scharnier:
  • Witst noch wol wat se dan seine, wat waar, wat weer is het, bewaarder? (Weet je nog wat se toen zeiden? Wat voor weer, wat (voor) weer is het, bewaarder?)
Demirçay en Backus laten zien dat er ook voorbeelden zijn die niet in dit rijtje passen, die een stuk ingewikkelder zijn. Het intrigerendste voorbeeld vind ik dit:
  • Of düdüklüde yapıyo of gewoon pan. (Of ze doet het in een snelkookpan, of (in een) gewoon(e) pan.)
Het raam van de zin wordt gemaakt door het Nederlands of… of. Daarbinnen is het eerste stuk in het Turks. Düdüklüde betekent ‘in een snelkookpan’ en yapıyo ‘zij doet het’. Maar hoe zit het met het tweede stuk? De woorden zijn allemaal Nederlands, maar de structuur is helemaal parallel aan de Turkse. In die taal zeg je niet in een pan maar pan met een bepaalde naamval. 
Kortom: we hebben hier Nederlands of… of… met een Turkse zinsbouw in beide stukken tussenin. Maar binnen die Turkse zinsbouw schakel je voor ieder individueel woord in het tweede deel weer over naar het Nederlands. Dat kun je alleen als je voldoende taalvaardig bent.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.