Wat de Sultan kan leren van de Revisor

Het was naar ik meen ergens rond 1880 toen schrijvers en dichters het idee kregen om een soort gezamenlijk huiskamertje te beginnen dat ‘literair blad’ moest gaan heten. Gezellig, maar het ging destijds zoals het hoort gepaard met veel pretenties en bravoure – hier werd het hoogste van de menselijke geest geëtaleerd, het summo numinevan de maatschappij, voor 10 cent, vol met rederijkers en domineesgedichtjes en wat gesjeesd gewemel van Gorter. Fantastisch, gezellig, alle tien schrijvers die Nederland destijds rijk was lazen het nog ook.

Nu, ruim 130 jaar later, heeft het literaire blad een ongelofelijke groei weten doormaken. Waar de bevolking van Nederland groeide van vier naar zestien miljoen zou je redelijkerwijze op basis van de cijfers verwachten dat het literaire blad nu geen tien maar wel veertig lezers heeft, maar wie de cijfers bekijkt slaat de verbazing om het hart: het blad De Revisor heeft anno 2014 geen veertig, geen zestig maar wel tachtig abonnees. Tachtig! Dat is toch een groei van minstens 200%. Hoe valt dit succesverhaal van dit literaire blad te verklaren? Om dit op deugdelijke wijze te kunnen duiden moeten we deze bladen eens onder de loep nemen, om te kijken waar de verschillen zitten.

Wat allereerst opvalt is dat de redactie van De Revisor anno 2014 heeft ontdekt dat je als redactie niet alleen maar eigen werk moet plaatsen, de helft van het blad met eigen maakseltjes vullen is meer dan genoeg. Waar die tachtigers het hele blad schaamteloos volplempten met eigen brouwsels is de redactie van De Revisor, (Erik Linder, Jan van Mersbergen en wat oude schoolmaatjes) de bescheidenheid zelf: slechts de helft van het blad hoeft met werk van Erik Lindner en Jan van Mersbergen te worden gevuld, de rest van het blad vullen zij op ingenieuze wijze met jonge, frisse candlelight poëzie.

We zien piepjonge dichteresjes hun hart blootgeven met teksten die je bijna letterlijk Jan van Veen kunt horen opbasseren. Neem ene Marieke Rijneveld, krap 21 jaar en nu al dichter, muzikant, filosoof en schrijver tegelijk. Lees maar even mee:

“En ik schud mijn hoofd naar de man op straat en hij
lacht als ik zeg dat het punt van breken nooit met drank te maken heeft
maar met het moment waarop glazen elkaar eventjes aanraken.”

Glazen die elkaar eventjes aanraken op het punt van breken. Ik zie Jan van Veen met een keiharde toeter de radiomicrofoon in hijgen. Mag het een wonder heten dat De Revisor zo’n exponentiële groei heeft weten realiseren als je als redactie het lumineuze idee hebt dat zo’n blad niet alleen een reclamefolder voor je eigen werk is maar ook een podium voor dit soort ongelofelijke multitalenten? We lezen verder. Ook ene Saskia Stehouwer is door De Revisor ontdekt. Zij schrijft dingen als:

op een dag word je een eiland
waar de zee aan knaagt
de bomen laten hun bladeren vallen
de dieren trekken zich terug in hun holen
ook al ben jij
de bomen
en de dieren

Wie twijfelde of we hier wel echt met de intellectuele avantgarde van Nederland van doen hebben mag die twijfel nu zonder pardon bij het vuilnis zetten. Dit is een Zen Koan van subliem niveau. Hulde voor Erik Lindner, Jan van Mersbergen en hun schoolvriendjes!

Eindelijk een redactie van een literair blad die begrijpt dat het geluid van een klappende hand. Ik durf nauwelijks verder te lezen. Ene Arno Kramer wordt er ook met de haren bijgesleept om zijn talent voor onze ogen te kweken:

Jij bent in je naam, je bent iets, je bent je naam.
En omdat het spreken nu eenmaal dikwijls niet meer dan spreken is,
buig ik liever mijn stilte naar jouw naam.

Bent u er nog? Of ligt u inmiddels in uw besuikerde tranen te apegapen op de vloer, met de fluwelen stem van Jan van Veen als uw persoonlijke gids door deze ongelofelijk experimentele rijstberg, deze poort naar literair luilekkerland?

Nee, het mag niet verbazen dat De Revisor liefst 200% wist te groeien in publieksbereik gedurende de tachtig jaar van haar bestaan. Het blad krijgt dan ook volledig terecht subsidie van het Nederlands Letterenfonds en werd deze week gretig overgenomen door de Bezige Bij, die natuurlijk wel een graantje wilden meepikken van deze literaire succeshausse.

Natuurlijk, je hebt altijd boze tongen die beweren dat candlelight en experimentele avantgarde niet hetzelfde zijn. Maar dat is niet Arie Boomsma genoeg, die inmiddels ook al rijkelijk in de Revisor zijn talenten heeft mogen uitstallen. De redactie van De Revisorheeft juist naadloos aangevoeld dat in de neo-positivistische, tijd waarin wij leven de ollekebollekes en de candlelight het nieuwe experiment in de kweekvijver zijn. Een experiment dat dus enorm erfolgreichis uitgepakt, dit tot grote jaloezie van vele schrijvende en dichtende collega’s, die het blad kleinzielig weigeren lezen, en die het contact met schoolvriendjes reeds lang verloren hebben. Een literaire carrière is nu eenmaal niet voor iedereen in de wieg gelegd.

Het woord ‘wieg’ gebruik ik in bovenstaande zin natuurlijk niet zomaar. Meer en meer bewegen wij van een open maatschappij gebaseerd op prestaties naar een gesloten maatschappij gebaseerd op gewoonterecht. Toen Gerdi Verbeet in 2011 afscheid nam van het voorzitterschap van de Tweede Kamer was haar laatste boodschap dan ook dat het echte probleem van de Tweede Kamer was dat er veel te veel hoogopgeleide mensen in zaten. Hoewel de helft van de Tweede Kamer al vol zat met zelfopgeleide PVV-bouwvakkers was zelfs die helft gewoon niet genoeg: tijdens haar juryvoorzitterschap van de VSB poëzieprijs in 2009 had Verbeet aan den lijve ondervonden dat een systeem heel wel kan functioneren zonder enig beroep op intelligentie.

Kunt u zich een internationaal muziekfestival voorstellen waarop op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag vrijdag en zaterdag Trijntje Oosterhuis staat te spelen? Toen Bas Kwakman, de man die het klaarspeelde om in al zijn Ottomaanse ambities rechtstreeks na het afstuderen aan de kunstacademie van Den Haag Directeur te worden van Poetry International – toen hij hoorde dat Poetry het voortaan met iets minder geld moest doen koos de Sultan de enige denkbare oplossing: voortaan gewoon de hele week dezelfde dichter op het podium, geen hond die het verschil merkt.

En dus werd het hele programma volgestort met de winnende VSB-dichter en nog wat internationale mensen. Ton van ’t Hof, de enige Nederlander die daadwerkelijk veel buitenlandse poëzie leest – Ton hoefde na zijn kritiek op de VSB prijs liever niet weerom te keren. Een smaak hebben doe je maar als je dood bent.

In Awater van deze lente stond een interview met Kwakman waarin hij aangaf dat het dit jaar niet was gelukt grote namen naar Poetry te halen. Maar daar gaat het op zulke festivals al lang niet meer om. In een neopositieve maatschappij gaat het niet om prestaties, of om op zo’n festival de meest recente geluiden te laten horen. Het gaat om iets heel anders: dat het gezellig is. Dat je het allemaal samen doet. Kwakman, nog moe van zijn snoepreisje naar Mongolië met het jonge halftalentje Lies van Gasse, sprak in zijn slotspeech dan ook vooral de loftrompet over hoe aangenaam het voor al deze dichters was geweest om een weekje in het harem van de Sultan te mogen vertoeven.

Nee, de literaire bladen en de literaire festivals, het zijn twee handen op één monopolistische uitpuilende buik in ons neopositieve wereldje dat van gewoonterecht aan elkaar hangt. Precies daarom ben ik blij dat we op zo’n festival niet de dichters kunnen zien die afgelopen jaar een bijzondere bundel uitbrachten, maar dat de VSB winnaar in al zijn eer en glorie een week lang wat onbekende buitenlandse dichters mag verbazen over het wel erg monotone poëzieklimaat hier ten lande. Het mag een gemiste kans heten dat Kwakman nog altijd niet Rene Froger wist te vinden – de Sultan moet duidelijk eens in de leer bij De Revisor. Zodat ook Poetry exponentieel kan gaan groeien onder zijn weledelbezielde leiding de komende 40 jaar.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.