Dat ge-Miriam in ‘Geachte heer M.’

Door Marc van Oostendorp

Bron: NRC Handelsblad

I’m all yours, Marie Claude’, zegt de schrijver M. ergens aan het begin van de roman Geachte heer M. van Herman Koch tegen zijn interviewster. “Hij weet dat vrouwen het leuk vinden wanneer je hun voornaam uitspreekt,” merkt de verteller dan op. “Niet te vaak, want dan wordt het al snel bezitterig, maar precies goed gedoseerd. Achteloos.”

Ja, die schrijver M. gaat die Marie Claude wel even inpakken, maar dat pakt natuurlijk allemaal verkeerd uit, en zonder dat hij het weet luidt dat interview juist uiteindelijk zijn ondergang in.

Namen zijn heel belangrijk in Geachte heer M., zoals de titel natuurlijk al zegt. Bijvoorbeeld noemen de hoofdpersonen elkaar lustig de hele tijd bij hun naam: “Miriam, wat is er?”, “Zeg het maar, Lodewijk”, “Hallo, mevrouw Posthuma?”

Herman

‘Hou toch eens je kop met je ge-Miriam de hele tijd’, roept een van hen, een buitenstaander die een keer mee mag met het groep, op een bepaald moment zelfs getergd uit.

De belangrijke schrijvers in het boek hebben allemaal geen achternaam, maar zonder dat dit wordt toegelicht alleen een initiaal: M, N., C. Sowieso hebben weinig personen een achternaam in het boek: de achternamen van de ik-verteller, zijn vriendenkring, de vrouw van de schrijver, enzovoort komen we ook nooit te weten. Een leraar om wie veel suspense heerst omdat hij mogelijk vermoord is, heet alleen Landzaat waarover wordt opgemerkt dat het zo’n lelijke naam is. En de twee hoofdpersonen in het boek – de schrijver en zijn belager – heten allebei Herman. 
Vervuilde rivier
Ook gezichten zijn belangrijk. De ik-verteller schimpt in het begin een aantal keer op beschrijvingen van gezichten in romans die volgens hem interessant zijn. Vervolgens wordt vrijwel ieder gezicht in Geachte heer M. in detail beschreven; een van die beschrijvingen, van een oud en pokdalig gezicht, is zelfs een van de fraaiste die er de afgelopen jaar geschreven zijn: “een gezicht als een vervuilde rivier waar de laatste vissen al jaren geleden dood zijn komen bovendrijven”.
Het is allemaal deel van een spelletje met identiteiten – een beetje een sarrend spelletje dat de schrijver tijdens de hele roman speelt met zijn lezer, zoals veel personages in dit boek ook allerlei spelletjes spelen met elkaar. Er wordt de hele tijd gesuggereerd dat er enorme diepe betekenislagen achter die namen zitten, maar wie daar al te diep naar gaat graven, komt geloof ik bedrogen uit. (Je weet maar nooit, maar ik denk dat.) En dat is geloof ik het punt: je kunt wel doen alsof mensen ‘aan de oppervlakte’ voor elkaar onbegrijpelijk zijn, maar dat suggereert dat ze begrijpelijker worden als je beter speurt.

Het lijkt me een teken van de kwaliteit van de vaderlandse kritiek dat die initialen van de schrijvers meteen worden herleid tot Mulisch en Nooteboom, en dat vervolgens ‘onbegrijpelijk’ wordt genoemd dat hij zo tekeer gaat tegen die collega’s. Maar dit terzijde.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.