Labov en de literatuurwetenschap

Gert de Jager
 
William Labov, de sociolinguïst aan wie Marc zo’n mooie serie wijdde, is de laatste taalkundige geweest die een diepgaande invloed op de literatuurwetenschap heeft uitgeoefend. Dankzij hem vielen nogal wat letterkundigen van een talig geloof af. Het heeft alles te maken met zijn sociologische blik.
 
Wat was het geloof of paradigma? Dat was de overtuiging dat het taalgebruik in literaire teksten zich op de een of andere manier onderscheidde van het taalgebruik in niet-literaire teksten. Wat zo ijverig door neerlandici en andere brave werkers in het literaire veld werd bestudeerd, verdiende dat vanwege een bijzondere structuur, afwijkend taalgebruik, de niet-referentialiteit der taaltekens, een bijzondere gelaagdheid, bijzondere kunstgrepen. Wat het precies was – daar kon je over twisten. Het getwist maakte de literatuurwetenschap in de jaren zestig en zeventig tot een levendig vak dat als Theoretische Literatuurwetenschap op de universiteiten werd geïnstitutionaliseerd. Een vak met richtingen, stromingen, ‘scholen’. Heel af en toe dolf of delfde zo’n school het onderspit. Het was een teken van vooruitgang: de wetenschap schreed voort.
 
In 1967 publiceerde Labov samen met Joshua Waletzky het artikel Narrative Analysis; Oral Versions of Personal Experience. In deel 5 van zijn serie geeft Marc weer hoe Labov in The Language of Life and Death, zijn boek uit 2013, alledaagse verhalen analyseert. Wat mij frappeerde was dat het niet echt verschilde van hoe hij dat bijna een halve eeuw eerder deed. Een halve eeuw ideeën uitwerken en verdiepen om ze te laten culmineren in een boek met een prachtige, ambitieuze titel. Op de gereformeerde universiteit in Amstelveen zou hij waarschijnlijk schuin zijn aangekeken wegens zelfplagiaat, maar elders gaat dat anders.
 
Wat maakte Narrative Analysis; Oral Versions of Personal Experience tot zo’n ogenopenend artikel? Dat was de constatering dat elke verhalenverteller, hoe ongeletterd en weinig pretentieus ook, zijn verhaal op een bijzondere manier vertelt. Weliswaar heeft een verhaal een ‘basic underlying form’, een correspondentie met de chronologie van wat er gebeurde, maar vervolgens wijkt elke verhalenverteller van die ‘primary sequence’ af. Een verhalenverteller werkt naar een pointe toe. Terwijl hij dat doet, stelt hij het vertellen van sommige onderdelen van zijn verhaal uit en creëert hij meerduidigheid en interpretatieve ruimte. Een verhaal met alleen maar een ‘primary sequence’ doet zich in de praktijk zelfs niet voor. Het is in meer dan één opzicht ‘pointless’.
 
Dat was een uitkomst die het tapijt wegtrok onder elke vorm van literatuurbeschouwing die verwachtte dat er iets specifiek taligs geponeerd kon worden over wat literaire teksten tot literaire teksten maakt. Als consequent van een patroon wordt afgeweken, tot in het meest banale verhaal aan toe – wat kan er dan ooit systematisch beweerd worden over die krankjorum heterogene verzameling teksten die tot de literatuur gerekend worden? Wat valt er concreet vast te stellen over tekstuele eigenschappen of de manier waarop die worden waargenomen? Niets wat niet ook in meer of mindere mate geconstateerd kan worden bij teksten die geen sterveling tot de literatuur zou rekenen: de verslagen van persoonlijke lotgevallen die Labov en Waletksy analyseerden.
 
Niet in taal, maar in iets anders. De paradigmawisseling lijkt, zeker met terugwerkende kracht, op één grote, synchrone golf. De receptiegeschiedenis kwam op, de door Verdaasdonk op methodologische gronden gepropageerde literatuursociologie, het poëticaonderzoek. De veldwerkers van de neerlandistiek spraken niet langer over literatuur, maar over literatuuropvattingen. Het structuralisme van Merlijn en het New Criticism verdween, het Russisch Formalisme werd een schattig optimistisch relict, Jakobsons poëtische functie bleek te zijn wat het was: een onderdeel van een communicatietheorie, niet van een theorie over literariteit. De lagentheorie van Ingarden, de secundaire code van Lotman, op de TGG geïnspireerde transformatietheorieën – het was veel, heel veel en het had hoogstens een beperkte historische geldigheid. Soms leken sommige concepten geschikt om iets verstandigs te beweren over sommige teksten.
 
Het artikel van Labov en Waletksy werd tegelijkertijd een narratologische classic en een artikel waar je niet zoveel aan had: wie greep probeerde te krijgen op Proust of Brakman kon niet zo heel veel met hun gedetailleerde analyse van eenvoudige verhalen. In de Inleiding tot de literatuurwetenschap van Van Luxemburg e.a. uit 1987 wordt Labov nog genoemd; in latere inleidende werken kom ik zijn naam niet meer tegen. Dat zijn artikel een belangrijke rol speelde bij een Umbruch kan ik niet bewijzen aan de hand van een overweldigende hoeveelheid receptiedocumenten. Er is een zekere logica. Ik herinner me gesprekken bij de stencilmachine en de koffieautomaat. Toch: in de jaren zestig werd – niet in Amstelveen – een hoogleraar benoemd met iets als linguïstiek en literatuurwetenschap in zijn leeropdracht. Een internationale coryfee die een decennium later een gouden handdruk kreeg en doperwten ging kweken in Zuid-Frankrijk.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.