Hoe het Nederlands zich afscheidde

Door Marc van Oostendorp


Hoe klonk het oudste Nederlands, de taal die in onze streken in de elfde eeuw, en de eeuwen daarvoor, gesproken werd? Dat heeft mijn Leidse collega Michiel de Vaan de afgelopen jaren uitgezocht. We weten al wel redelijk veel van het zogeheten Middelnederlands dat na die tijd gesproken werd, en zelfs eigenlijk ook al wel meer van het Westgermaans, de taal waar de onze vanaf stamt, maar over dat Oudnederlands komt gaandeweg meer naar buiten.

De eerste resultaten van dat onderzoek komen nu naar buiten. In een artikel in het tijdschrift North-Western European Language Evolution (NOWELE) geeft De Vaan een eerste overzicht van wat er meer dan duizend jaar geleden met de Nederlandse medeklinkers gebeurde.

Sprekers van het Westgermaans waren ergens tussen 250 en 400 naar onze streken getrokken – voor die tijd werd hier een Keltische taal gesproken, Latijn en mogelijk andere talen. In de eeuwen die volgden, werden niet alleen die andere talen verdreven, er ontstond aan de Noordzeekust competitie tussen vooral twee Westgermaanse dialecten – het Fries en het Frankisch. Uiteindelijk wonnen rond het jaar 1000 de Franken het en schakelden veel Friestalige sprekers over op dat Frankisch, maar daarin zaten veel Friese elementen. Uit die mix ontstond langzaam maar zeker een taal die steeds meer begon te verschillen van het Engels en het Duits.

Wat waren die verschillen? De Vaan wijst er een paar aan die je als ‘typisch’ Nederlands zou kunnen beschouwen. De eerste is dat chs veranderde in een lange s. In plaats van Füchse (in het Duits) of foxes (in het Engels) zeggen wij vossen. Die vorm vond De Vaan al in een vertaling van de psalmen uit het jaar 1000 (de Wachtendonckse psalmen, vermoedelijk geschreven in Limburg), en hij denkt dat die chs in het westen, zoals in Gent, misschien al wel eerder verdwenen was.

Een andere ‘typisch Nederlandse’ verandering was dat de th [θ] voor een m ook al veranderde in een s. Het Engels heeft de klank th nog wel: aan het begin van het woord thing bijvoorbeeld. In de Lage Landen veranderde die korte klank in de meeste woorden langzaam maar zeker in een d; vandaar dat wij ding zeggen. Maar voor een m (en in sommige andere omstandigheden) gebeurde dat niet. De th die oorspronkelijk in adem zat, werd in westelijke dialecten van het Nederlands bijvoorbeeld tot een s: asem.

Zo werd het gebruik van s dus een van de eerste kenmerken die ‘Nederlandse’ dialecten deden onderscheiden van de andere talen. Het zou nog eeuwen duren voor er officieel een ‘Nederlandse taal’ zou bestaan. Maar de kiem was gelegd.


Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.