Tachtig procent dialectgebruik

Door Leonie Cornips


‘In Limburg spreekt tachtig procent van de inwoners dialect,’ zei een toehoorder onlangs bij een lezing. Ik zag aan zijn lichaamshouding dat het moeilijk zou worden om hem, in een paar minuten, op andere gedachten te brengen. Niet dat ik hem wilde laten weten dat het percentage niet zou kloppen, maar wel dat het type onderzoek naar aantallen dialectsprekers veel haken en ogen kent. Dat is lastig uitleggen. Percentages zijn prima als we de hoeveelheid vogels in onze achtertuin willen tellen tijdens de landelijke vogelteldag of hoeveel mensen er onder het minimuminkomen moeten leven. Percentages zijn echter niet zo simpel te duiden wanneer ze ons over het gedrag van mensen informeren.

Het lijkt een eenvoudige vraag om te beantwoorden wie er in Limburg dialect spreekt, maar dat is het zeker niet.
‘Dialect’ betekent immers niet voor iedereen hetzelfde. Zo vertelde Ben van Melick in een Studium Generale-lezing over de Limburgse identiteit – in oktober 2012 georganiseerd door het Winand Roukens Fonds –het volgende: ‘Een paar weken geleden leidde ik in Kerkrade een
boekje in dat een tekst bevatte van Wiel Kusters in het Kerkraads vertaald. Ik deed dat in mijn dialect, een mengeling van Gebreuker en Neelder Plat. Ik was tot in de ziel geraakt, toen een welbespraakte Kerkradenaar (…) mij toevoegde: Du sjpriks gaar ge dialect, wats du sjpriks, dat is een allegaartje mit veëul Hollesj drin.’ Dus wat iemand dialect noemt, is afhankelijk van zijn interpretatie en beleving en dat kan wezenlijk verschillen met hoe iemand anders dat ziet. Dit maakt dat we de antwoorden op vragenlijsten naar aantallen dialectsprekers niet zomaar met elkaar kunnen vergelijken want een ‘dialect’ is geen objectief gegeven.

Bovendien vullen mensen in een vragenlijst in wat ze denken dat ze doen terwijl hun gedrag er in werkelijkheid heel anders uit kan zien. We antwoorden niet met opzet ‘verkeerd’ maar we kunnen het verschil tussen ‘denken wat we doen’ en ‘wat we dagelijks in de praktijk doen’ niet goed inschatten. En dit geldt vooral als we het hebben over ons eigen taalgebruik. De Amerikaanse sociolinguïst Labov heeft daar veel onderzoek naar gedaan. Een voorbeeld in het Nederlands zou kunnen zijn dat ik u in een vragenlijst vraag of u weleens zegt: ‘ik heb dat nooit niet gezegd’. Nooit niet in deze zin is op twee manieren te interpreteren. Nooit benadrukt niet en de zin betekent ‘ik heb dat echt niet gedaan’. Dit is de betekenis die in Limburg voorkomt. Of de ene ontkenning heft de andere op en dan betekent de zin ‘ik heb dat gedaan’. Dit is een betekenis die in het Friese Oosterbierum opgetekend is (en ook voor het Frans in ‘Je ne sais pas’ met ne en pas voor ‘ik weet het niet’).

Hoe dan ook: deze zin rekenen we in een schoolcontext fout omdat er een idee leeft dat een taal logisch zou moeten zijn. Twee ontkenningen achter elkaar zijn ‘dubbelop’ en daarom is er één logisch overbodig. Nu krijgt deze kennis over hoe het zou moeten horen, voorrang boven het werkelijke taalgebruik in een vragenlijst. Hilarisch zijn de onderzoeken van Labov die laat zien dat mensen pertinent beweren dat ze iets niet zeggen maar later in het gesprek toch de gewraakte zin produceren. Dit verschil valt onder de noemer ‘sociaal wenselijk gedrag’. Omdat ik weet dat veel onderzoeken aantonen dat we ons eigen taalgebruik niet goed kunnen inschatten, durf ik nooit met zekerheid te zeggen hoe ik iets wel of niet zeg.

Ook geven veel vragenlijsten niet aan wat er precies bedoeld wordt met ‘dialectgebruik’. Betekent dialectgebruik dat iemand altijd dialect spreekt of ook soms? Ik spreek nauwelijks dialect maar ik probeer het wel. Moet ik dan met ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden op zo’n vragenlijst? Betekent ‘ja’ dat ik het dialect gebruik met mijn gezin of mag ik met ‘ja’ ook antwoorden als ik het alleen buitenshuis gebruik?

Dat is dus wat anders dan mussen tellen: een huismus is honderd procent mus in welke achtertuin dan ook. Een antwoord als tachtig procent dialectgebruik lijkt dus exact maar verdient absoluut de nodige reserve.

Deze column verscheen in 2013 in De Limburger/Limburgs Dagblad
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Tachtig procent dialectgebruik

  1. Gaston Dorren schreef:

    Dus die Kerkradenaar nam iemand anders z'n dialect de maat, maar gebruikte daarbij zelf het 'Hollandse' woord allegaartje in plaats van misjmasj of iets in die trant? Als je al zo'n zelfingenomen betweter bent, kun je maar beter op je tellen passen!

Reacties zijn gesloten.